Arrest van het Hof van 23 december 2009 in zaak C-305/08, Consorzio Nazionale interuniversitario per le Scienze del Mare (CoNISMa) tegen Regione Marche. Hieronder een korte samenvatting van ICER.
Richtlijn 2004/18 EG – Overheidsopdrachten voor diensten – Begrip "ondernemer" – Universiteiten en onderzoeksinstituten – Toelating tot procedure voor plaatsen van overheidsopdracht.
De Italiaanse wet ter uitvoering van de Europese aanbestedingsrichtlijnen geeft in artikel 34 een opsomming van entiteiten die kunnen deelnemen aan de aanbestedingsprocedure. Universiteiten en onderzoeksinstituten staan niet op die lijst. Het Italiaanse burgerlijk wetboek bepaalt dat onder "ondernemer" wordt verstaan hij die beroepsmatig en op georganiseerde wijze een economische activiteit uitoefent met het oog op de vervaardiging en de ruil van goederen en diensten.
De Regione Marche heeft een aanbesteding gehouden voor een opdracht tot het uitvoeren van een bepaalde kartering van de zeebodem, het verrichten van kernboringen en het nemen van monsters op zee in de kuststrook. CoNISMa is een consortium van vierentwintig Italiaanse universiteiten en drie ministeries en heeft als doel het verrichten van onderzoek en activiteiten op het gebied van mariene wetenschappen. Zij heeft zich gemeld als gegadigde en is vervolgens door de aanbestedende dienst uitgesloten van deelname. Tegen dit besluit heeft CoNISMa beroep ingesteld en aangevoerd dat de lijst van artikel 34 in strijd is met aanbestedingsrichtlijn 2004/18 EG.
De verwijzende rechter heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld. Ten eerste wilde hij weten of een combinatie van universiteiten en overheidsinstellingen als "ondernemer" in de zin van de aanbestedingsrichtlijn kan worden aangemerkt en dus deel mag nemen aan aanbestedingsprocedures. Daarnaast wilde hij weten of de Italiaanse uitvoeringswet in strijd is met de aanbestedingsrichtlijn wanneer die wet zo wordt uitgelegd dat de deelname aan aanbestedingsprocedures beperkt is tot entiteiten die systematisch en beroepsmatig actief zijn op de markt, met uitsluiting van andere lichamen die hoofdzakelijk andere doelstellingen dan winst nastreven, zoals universiteiten.
Het Hof beantwoordt beide vragen bevestigend. Daartoe overweegt het Hof onder meer dat aanbestedingen moeten worden opengesteld voor een zo ruim mogelijke concurrentie en dat de toegang tot aanbestedingsprocedures niet kan worden beperkt op grond van de rechtsvorm van een gegadigde of inschrijver. Tegen die achtergrond moeten volgens het Hof ook lichamen die geen winstoogmerk hebben, niet als onderneming zijn georganiseerd en niet op een regelmatige basis op de markt aanwezig zijn, waaronder universiteiten en onderzoeksinstituten alsook combinaties bestaande uit universiteiten en overheidsinstanties, in staat worden gesteld deel te nemen aan aanbestedingen. Ten aanzien van de tweede vraag overweegt het Hof dat lidstaten de activiteiten van lichamen als universiteiten en onderzoeksinstituten kunnen reglementeren. Daarop vervolgt het Hof dat indien bepaalde lichamen gerechtigd zijn om op een bepaalde markt activiteiten te ontplooien, zij niet door een nationale bepaling verboden kunnen worden om deel te nemen aan aanbestedingsprocedures die betrekking hebben op die activiteiten. Dit zou in strijd zijn met de aanbestedingsrichtlijn.