Op 29 juli 2010 heeft de Rechtbank Leeuwarden uitspraak gedaan in de zaak die was aangespannen tegen de provincie Fryslân (LJN:BN2970). PIANOo vat samen en beschrijft de relevantie voor de praktijk.
Trefwoorden: Bao, ontvankelijkheid
De provincie Fryslân houdt een aanbesteding voor gladheidsbestrijding. Twee combinanten schrijven gezamenlijk in, waarbij één optreedt als penvoerder. De provincie wil de opdracht gunnen aan de partij met de laagste inschrijving en niet aan de combinatie. De penvoerder van de combinatie is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter. De provincie vindt dat de penvoerder geen zelfstandig belang heeft omdat de inschrijving is gedaan tezamen met een ander.
Als een combinatie van bedrijven inschrijft kan slechts de combinatie in rechte optreden en niet elk van de combinanten afzonderlijk.
Het maakt hierbij niet uit dat de penvoerder ook zelfstandig voldoet aan de voorwaarden en dat de andere combinant slechts feitelijk als onderaannemer (of achtervang) fungeert. Er is nu eenmaal ingeschreven door de combinatie en niet als hoofdaannemer en onderaannemer.
De penvoerder heeft geen belang bij haar op eigen naam ingestelde vordering en wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Er is weliswaar een machtiging om in rechte op te treden namens de andere combinant, maar de dagvaarding is niet mede namens de ander uitgebracht. En dit is een vereiste. (HR 21 november 2003, NJ 2004, 130). Een dergelijk gebrek kan niet worden hersteld, door tijdens de procedure alsnog een machtiging te overleggen.
De penvoerder wordt niet-ontvankelijk verklaard, de provincie krijgt gelijk.
(PIANOo, 31 januari 2011)
Lees voor nuancering de volledige uitspraak
op rechtspraak.nl.