Nationale procedureregels en vrij verkeer van diensten (week 2)

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Global Starnet Ltd en de Ministero dell'Economia e delle Finanze (ministerie van Economische Zaken en Financiën, Italië) en de Amministrazione Autonoma Monopoli di Stato (Autonome Administratie van Staatsmonopolies, Italië; hierna: AAMS), over de vaststelling van de voorwaarden die van toepassing zijn op het beheer op afstand van kansspelen op spel‑ en amusementsautomaten alsook over de aankondiging van een opdracht voor de aanbesteding van een concessie betreffende het opzetten en de exploitatie van het netwerk voor het beheer op afstand van kansspelen op dergelijke automaten. (Hof van Justitie 20 6 december 2017, nr. C-322/15, ECLI:EU:C:2017:985)

Eerste vraag

Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, niet verplicht is om een vraag over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen aan het Hof, wanneer het grondwettelijk hof van de betrokken lidstaat in het kader van die nationale procedure de grondwettigheid heeft getoetst van de nationale bepalingen in het licht van referentienormen waarvan de inhoud vergelijkbaar is met de relevante bepalingen van het Unierecht.

Op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in beginsel verplicht is om een vraag over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen aan het Hof, zelfs wanneer het grondwettelijk hof van de betrokken lidstaat in het kader van die nationale procedure de grondwettigheid heeft getoetst van nationale bepalingen in het licht van referentienormen waarvan de inhoud vergelijkbaar is met de relevante bepalingen van het Unierecht.

Tweede vraag

Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 26, 49, 56 en 63 VWEU, artikel 16 van het Handvest van de grondrechten en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die aan houders van reeds bestaande concessies in de sector van het beheer op afstand van legale kansspelen, door middel van een addendum bij de reeds bestaande overeenkomst nieuwe vereisten oplegt voor de uitoefening van hun activiteit.

Op de tweede vraag moet naar aanleiding van dat onderzoek worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die aan houders van reeds bestaande concessies in de sector van het beheer op afstand van legale kansspelen door middel van een addendum bij de reeds bestaande overeenkomst nieuwe vereisten oplegt voor de uitoefening van hun activiteit, voor zover de verwijzende rechterlijke instantie tot de slotsom komt dat deze regeling kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze te bereiken.

(IBR, 10 januari 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraakAfbeelding externe link op eur-lex.europa.eu