Aanvullen motivering gunningsbeslissing (week 19)

In dit geschil gaat het om de vraag of een inschrijving al dan niet terecht ongeldig is verklaard en of de motivering van de gunningsbeslissing 9en de aanvulling daarvan) afdoende was. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 10 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5486)

Feiten en omstandigheden

De Staat heeft een Europese aanbestedingsprocedure gehouden voor de levering en het onderhoud van interne transportmiddelen. Doel is om vier raamovereenkomsten te sluiten, namelijk een raamovereenkomst voor levering voor perceel 1 (Defensie), een raamovereenkomst voor onderhoud voor perceel 1, een raamovereenkomst voor levering voor perceel 2 (Rijkswaterstaat) en een raamovereenkomst voor onderhoud voor perceel 2. De overeenkomsten voor levering zullen voor vier jaar worden afgesloten en de overeenkomsten voor onderhoud voor tien jaar.

De inschrijving van Jungheinrich wordt ongeldig verklaard en uitgesloten van verdere beoordeling.

Aanvulling

Op grond van artikel 2.130 lid 1 Aanbestedingswet dient de mededeling van de gunningsbeslissing aan iedere betrokken inschrijver of betrokken gegadigde de relevante redenen voor die beslissing te bevatten. De Staat heeft in de gunningsbeslissing van 31 januari 2018 aan Jungheinrich meegedeeld waarom haar inschrijving ongeldig is verklaard. In die brief staat niets over (het invullen van) Bijlage B vermeld. Dat de Staat in aanvulling of toelichting op de gunningsbeslissing mondeling heeft verklaard dat de inschrijving van Jungheinrich ongeldig is verklaard als gevolg van het invullen van Bijlage B kan niet worden aangenomen, nu de Staat dat betwist. In de gunningsbeslissing staat vermeld dat de inschrijving van Jungheinrich ongeldig is verklaard omdat Jungheinrich bij het document offerteblad en prijsblad zelf heeft aangegeven wat wel en niet binnen het all-in onderhoudstarief valt. Beoordeeld dient dan ook te worden of de Staat op grond hiervan terecht tot ongeldigverklaring is overgegaan.

In een brief van 12 maart 2018, na ontvangst van de dagvaarding, heeft de Staat, evenals ter zitting, uitgelegd waarom hij van mening is dat Jungheinrich met het in de gunningsbeslissing bedoelde “Offerteblad Jungheinrich Full Service” is afgeweken van de bepalingen in de (concept-)raamovereenkomst. Anders dan Jungheinrich betoogt, kan deze uitleg niet worden beschouwd als (ontoelaatbare) nieuwe reden voor de beslissing tot ongeldigverklaring. Het betreft immers een toelichting op de in de gunningsbeslissing genoemde reden.

Tussen partijen is niet in geschil dat reparaties vallen onder de noemer “Correctief onderhoud” en dus volledig moeten zijn inbegrepen in het all-in tarief voor het all-in onderhoud. Geconcludeerd wordt dat Jungheinrich in haar inschrijving een beperking maakt voor wat betreft het voorgeschreven all-in onderhoud voor een all-in tarief.

In de inschrijving van Jungheinrich staat voorts vermeld dat reparaties (inclusief onderdelen) als gevolg van normale slijtage zijn inbegrepen in het Full Service tarief. Daaruit dient te worden begrepen dat reparaties die niet het gevolg zijn van normale slijtage niet onder het all-in onderhoudstarief van Jungheinrich zijn begrepen Volgens de aanbestedingsstukken vallen echter ook de reparaties als gevolg van normale slijtage onder de noemer “correctief onderhoud” en dient de opdrachtnemer elk correctief onderhoud te verrichten dat geen schadeherstel is. Het begrip “schadeherstel” is in artikel 14 van de raamovereenkomst gedefinieerd als onvolkomenheden die niet voorzien waren en zijn ontstaan door onkundig gebruik van de Staat. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat Jungheinrich met voornoemde beperking van de door haar verleende reparaties tot reparaties als gevolg van normale slijtage is afgeweken van artikel 14 van de raamovereenkomst.

Jungheinrich vermeldt tevens in haar inschrijving dat reparatiekosten als gevolg van schade en/of oneigenlijk gebruik niet zijn begrepen in het Full Service tarief. Daarmee sluit zij ongeclausuleerd reparaties als gevolg van schade uit van haar tarief, terwijl de aanbestedingsstukken voorschrijven dat de kosten van reparatie alleen dan niet onder het all-in onderhoudstarief vallen als sprake is van schadeherstel in de zin van artikel 14 van de raamovereenkomst.

Jungheinrich heeft naast het voorgaande aangevoerd dat de aanbestedingsstukken niet de mogelijkheid bieden voor het apart sturen van facturen. Zoals hiervoor geconcludeerd, sluit haar inschrijving bepaalde onderhoudsactiviteiten echter uit, zodat de Staat met de inschrijving van Jungheinrich geen aanspraak kan maken op het verrichten van de door hem gewenste werkzaamheden voor het geoffreerde tarief en de inschrijving van Jungheinrich als gevolg daarvan onvergelijkbaar is met andere inschrijvingen.

Jungheinrich heeft tot slot betoogd dat zij geen afstand heeft willen nemen van de bepalingen in de raamovereenkomsten, maar slechts in haar eigen woorden een samenvatting heeft willen geven van de opzet daarvan. Dat betoog kan haar niet baten. Indien Jungheinrich had willen aansluiten bij de bepalingen in de raamovereenkomsten, had zij kunnen volstaan met de mededeling daarvan. Dat Jungheinrich zich niet daartoe heeft beperkt, maar eigen definities en omschrijvingen heeft gehanteerd in haar inschrijving, komt voor haar eigen rekening en risico.

Een en ander leidt tot afwijzing van de primaire vordering van Jungheinrich.

(IBR, 9 mei 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl