Beleid vijf zorgkantoren voor inkoop langdurige zorg onrechtmatig (week 42)

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft in dit vonnis geoordeeld dat het beleid dat vijf zorgkantoren hebben vormgegeven voor de inkoop van langdurige zorg onrechtmatig is, in ieder geval voor het jaar 2021. De rechter heeft de zorgkantoren verboden de inkoopprocedures voort te zetten, tenzij zij alsnog kunnen aantonen dat met de gehanteerde tarieven in alle gevallen wordt voldaan aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. Zolang daarvan geen sprake is moeten de zorgkantoren minimaal het tarief hanteren dat in 2020 is toegepast. (Voorzieningenrechter rechtbank Den Haag 1 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9527)

Feiten en omstandigheden

Er zijn door 68 zorgaanbieders (hierna: eiseressen) vijf zaken aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter die hier samengevoegd worden behandeld. Eiseressen zijn grotendeels zorgaanbieders, die langdurige zorg aanbieden aan mensen met een verstandelijke lichamelijke of zintuigelijke beperking, die blijvend permanent toezicht c.q. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, nodig hebben. Een aantal eiseressen behartigt de belangen van zorgaanbieders.
Het huidige meerjarige inkoopkader van de vijf zorgkantoren loopt af op 1 januari 2021. Op 29 mei 2020 heeft Zorgverzekeraars Nederland het landelijk inloopkader van de Wet langdurige zorg (WIz) voor de jaren 2021-2023 gepubliceerd. Daarnaast hanteren de afzonderlijke zorgkantoren regionale inkoopkaders. Die zijn ook op 29 mei 2020 gepubliceerd. De zorgaanbieders zijn in de gelegenheid gesteld om over die inkoopkaders vragen te stellen, die zijn beantwoord in een nota van inlichtingen. Naar aanleiding daarvan hebben de zorgkantoren wijzigingen in het Gezamenlijk Inkoopkader en de Regionale Inkoopkaders doorgevoerd.

Eiseressen zijn het niet eens met de wijze waarop de zorgkantoren het nieuwe inkoopbeleid voor de komende jaren hebben vormgegeven. Zij hebben met name bezwaar tegen de geboden tarieven. Die zijn volgens de zorgaanbieders niet reëel, niet kostendekkend en hiermee wordt geen recht gedaan aan de verschillen tussen zorgaanbieders in de Wlz. De zorgkantoren wijzen daartegenover onder meer op de uitdagingen waar zij voor staan en op hun taakstelling. Zij menen dat zij geen reële tarieven hoeven te bieden, maar dat de geboden tarieven ruim voldoende zijn om goede zorg van te kunnen leveren en rechtmatig zijn.

Beoordeling geschil

Zorgkantoren moeten reële tarieven bieden
De rechter is van oordeel dat de vijf zorgkantoren reële tarieven moeten bieden, omdat zij gebonden zijn aan de aanbestedingsbeginselen. De rechter stelt daarna vast wat dat betekent en overweegt dat het op de weg van de zorgkantoren ligt om te motiveren waarom daar in dit geval sprake van is.

Zorgkantoren hebben niet onderbouwd dat zij daaraan voldoen
De zorgkantoren hebben volgens de rechter niet toegelicht waarom met het gehanteerde kortingspercentage op het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde maximumtarief nog sprake is van reële tarieven. Zij hebben ook niet onderbouwd dat de zorg in alle gevallen doelmatiger kan worden georganiseerd en dit in alle gevallen kan worden bereikt door het hanteren van een zeis van -6% die over de tarieven wordt gehaald. Daarbij is relevant dat er evident sprake is van wezenlijke verschillen tussen de zorgaanbieders, die werkzaam zijn in verschillende sectoren. De voorzieningenrechter volgt de zorgaanbieders in hun standpunt dat de vijf zorgkantoren per sector hadden moeten bekijken wat haalbaar is qua tarifering, in welk opzicht en in welke mate een grotere doelmatigheid kan worden bereikt en in hoeverre het vastgestelde maximum tarief zich ervoor leent om daarop een korting toe te passen. Daarbij overweegt de rechtbank dat tot een maatregel als deze echt niet anders kan worden gekomen dan op basis van deugdelijk onderzoek. Dit hebben de vijf zorgkantoren volgens de rechter nagelaten.

Conclusie

Het inkoopbeleid heeft, zoals dat thans door de vijf zorgkantoren is vormgegeven voor 2021, naar voorshands oordeel een onrechtmatig karakter. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat in dit geding enkel naar het inkoopbeleid voor dat jaar wordt gekeken.

In de vijf kort gedingen zijn deels verschillende vorderingen ingesteld, maar in alle procedures is (ook) gevorderd om de vijf zorgkantoren te verbieden de inkoopprocedures voort te zetten dan wel overeenkomsten te sluiten op basis van de inkoopprocedures. Die vordering zal worden toegewezen. Daarbij zal het verbod niet gelden als alsnog met deugdelijk onderzoek wordt aangetoond dat met de gehanteerde tarieven in alle gevallen wordt voldaan aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. Vorderingen die ertoe strekken dat de voorzieningenrechter in dit geding zelf (minimale) tariefpercentages vaststelt (zoals 100% van het Nza-tarief) zijn niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter kan op basis van al hetgeen in dit geding naar voren is gebracht wel oordelen dat de tariefverlaging voor 2021 onzorgvuldig is, maar voor een bevel een hoger tarief (dan dat van 2020) toe te passen in 2021 bestaat onvoldoende grond in het beperkte beoordelingskader van het kort geding.

(IBR, 14 oktober 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl