Bieding op concessie (week 45)

Connexxion heeft in haar verzoek en ter zitting met name betoogd dat de bieding van EBS op de concessie wat betreft het zogeheten maatwerk niet voldoet aan de eisen neergelegd in de specificaties die ten grondslag zijn gelegd aan de aanbestedingsprocedure die tot de gunning aan EBS heeft geleid. (Voorzieningenrechter College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:558)

Feiten en omstandigheden

Bij besluiten van 11 juli 2018 heeft de bestuurscommissie Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag (hierna: MRDH) besloten om de Concessie Haaglanden Streek 2019‑2030 niet aan Connexxion maar aan EBS te verlenen op grond van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000).

Connexxion is de huidige concessiehouder. De reden waarom MRDH de concessie voor de volgende concessieperiode aan EBS heeft verleend, is de uitkomst van een aanbestedingsprocedure. Daaruit komt de bieding van EBS volgens MRDH naar voren als bieding met de beste prijs-kwaliteitsverhouding, nu de bieding van EBS de hoogste eindscore op de gunningscriteria heeft behaald.

Uitleg

Tot de aanbestedingsstukken behoort het 'Concessiedocument 2, Inhoudelijke specificaties'. Daarin is als eis ID-1678 vermeld dat – behoudens twee daar genoemde uitzonderingen – de concessiehouder alle haltes bedient die in de dienstregeling voor het laatste jaar van de voorafgaande concessie zijn opgenomen.

De door Connexxion voorgestane uitleg van de eis, in samenhang met de definitie van rit en de definitie van geldende dienstregeling, zou er toe leiden dat deze eis in de weg zou staan aan wijziging van de lijnvoering, wat niet de strekking lijkt te zijn van de aanbestedingsstukken. Conclusie is dat de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat de bieding van EBS in strijd is met de eis.

Irreële bieding

Voor zover Connexxion heeft betoogd dat het aantal bussen waarmee EBS de concessie wil uitvoeren, zodanig laag is dat er grond is voor het vermoeden dat de bieding van EBS irreëel is, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Zoals MRDH ook heeft gesteld, ziet de voorzieningenrechter in de eisen niet dat het aantal bussen waarmee de concessiehouder de concessie uitvoert, is voorgeschreven. In dat verband heeft MRDH gesteld dat als blijkt dat EBS de door haar beoogde dienstregeling niet met het door haar beoogde aantal bussen kan uitvoeren, EBS extra bussen zal moeten inzetten. Connexxion heeft in dit stadium van de procedure niet aannemelijk gemaakt dat met de inzet van die (eventuele) extra bussen EBS in strijd met de gunningseisen zou handelen. Voor het oordeel dat de bieding van EBS op dit punt irreëel zou zijn, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende feitelijke grondslag in de bieding van EBS.

Beoordeling vervoerplan

In de aanbestedingsstukken is bepaald dat een bieder een ontwikkelplan en een vervoerplan moet opstellen. Het ontwikkelplan heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en is onder meer gebaseerd op de door de bieder gemaakte analyse van sterke en zwakke punten en kansen en bedreigingen voor het aanbod aan openbaar busvervoer. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat, zoals MRDH ook heeft betoogd, het ontwikkelplan dat op een periode van vijf jaar ziet, is bedoeld als kapstok voor onder meer het vervoerplan, dat op een periode van één jaar ziet. De voorzieningenrechter ziet daarvoor bevestiging in de gunningsleidraad die tot de aanbestedingsstukken behoort, waarin is vermeld dat het beoordelingsteam bij de beoordeling op de gunningscriteria ook rekening houdt met de vraag of er een duidelijke logica/samenhang/gedachte zit achter de gemaakte keuzes bij (en tussen) de verschillende gunningscriteria. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de bieding van EBS niet aan de gunningseisen zou voldoen omdat in het vervoerplan de doorontwikkeling van het R-net is verwerkt.

Connexxion heeft zich verder gericht tegen de beoordelingen van het vervoerplan van EBS en het vervoerplan van Connexxion. Connexxion heeft de juistheid betwist van verschillende onderdelen van de beoordeling van haar eigen vervoerplan, en van de beoordeling van het vervoerplan van EBS, dat laatste op basis van veronderstellingen over de inhoud van die bieding. Tegenover die betwisting heeft MRDH haar standpunten gemotiveerd uiteen gezet, daarbij gesteund door EBS. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in deze stand van de procedure, waar MRDH nog op het bezwaar zal moeten beslissen, niet aan hem is om de beoordeling door de beoordelingscommissie indringend te toetsen. De voorzieningenrechter is niet gebleken van zodanige onjuistheden dat ernstig moet worden betwijfeld dat het College het besluit tot verlening van de concessie aan EBS, indien dit bij het te nemen beslissing op bezwaar wordt gehandhaafd, in beroep op inhoudelijke gronden zal vernietigen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat, in afwachting van de beslissing van MRDH op het bezwaar van Connexxion, geen sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

(IBR, 7 november 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl