Bindende eindbeslissing in tussenvonnis (week 49)

In dit geschil komt de voorzieningenrechter niet terug op een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 28 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14109)

Feiten en omstandigheden

Ter uitvoering van een tussenvonnis van 26 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12716) hebben de Gemeente Westland, Gemeente Delft, Gemeente Zoetermeer, Gemeente Rijswijk en Gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de Gemeenten) vijf - op 8 november 2018 ondertekende - overeenkomsten tussen enerzijds LM en anderzijds de vijf afzonderlijke gemeenten, in het geding gebracht. Hierin is telkens een looptijd opgenomen van twee jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met tweemaal één jaar.

In het tussenvonnis is uitdrukkelijk - en zonder voorbehoud - overwogen dat in die situatie de vorderingen van PS Media zullen worden afgewezen.

PS Media verzoekt de voorzieningenrechter terug te komen op die bindende eindbeslissing.

Bindende eindbeslissing

De voorzieningenrechter stelt in dat verband voorop dat volgens vaste jurisprudentie de rechter, die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daaraan - in beginsel - in het verdere verloop van het geding is gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een dictum vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het bestek van dit geding niet ervan worden uitgegaan dat de in het tussenvonnis opgenomen - en door PS Media bestreden - eindbeslissing is gebaseerd op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

Anders dan PS Media stelt kan niet worden aangenomen dat LM en de Gemeenten bij het sluiten van de (oorspronkelijke) overeenkomsten niet de intentie hadden overeenkomsten te sluiten met een looptijd van twee jaar met de mogelijkheid tot verlenging met tweemaal één jaar, waarmee zij kennelijk beoogt te stellen dat er tussen LM en de Gemeenten op dat moment geen wilsovereenstemming bestond over een dergelijke looptijd.

Daaraan doet niet af dat PS Media de Gemeente Westland destijds heeft gewezen op een van de aanbestedingsstukken afwijkende looptijd in de door die gemeente aan haar toegezonden wachtkamerovereenkomst. Die omstandigheid niet mee dat moet worden aangenomen dat voormelde wilsovereenstemming ontbrak toen de oorspronkelijke overeenkomsten met LM werden gesloten/ondertekend. Aan de overige door PS Media aangevoerde omstandigheden die haar doen twijfelen aan de juistheid van de stelling van de Gemeenten dat bij vergissing onjuiste looptijden zijn opgenomen in de oorspronkelijke overeenkomsten met LM moet ook worden voorbijgegaan. Enkel het wekken/hebben van twijfels is onvoldoende om in dit geschil aan te nemen dat het anders ligt. Overigens zijn - mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor al is overwogen - de door PS Media in dat verband naar voren gebrachte feiten en/of omstandigheden onvoldoende om ervan uit te gaan dat over de aanvankelijk vastgelegde doorlooptijden wilsovereenstemming bestond tussen LM en de Gemeenten.

Tot slot valt niet in te zien dat het feit dat de aangepaste overeenkomsten pas op 8 november 2018 daadwerkelijk zijn ondertekend, terwijl LM al op 22 oktober 2018 had aangegeven daartoe bereid te zijn, er toe zou moeten leiden dat dient te worden teruggekomen op de hier aan de orde zijnde bindende eindbeslissing.

Slotsom

De slotsom is dat de vorderingen van PS Media zullen worden afgewezen.

(IBR, 5 december 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl