Clausule tot uitbreiding van de raamovereenkomst naar andere aanbestedende diensten (week 52)

Het verzoek tot een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van twee beroepen, die door de verwijzende rechter zijn gevoegd, tussen de Autorità Garante della Concorrenza e del mercato (Italiaanse mededingingsautoriteit; hierna: AGCM” respectievelijk Coopservice Soc. coop. Arl en de ASST Valcamonica over de beslissing van laatstgenoemde om zich aan te sluiten bij de overeenkomst voor behandeling, inzameling en verwerking van afval, die in 2012 werd gesloten door ASST del Garda met ATE Markas). (HvJEU 19 december 2018, nr. C-216/17, ECLI:EU:C:2018:1034)

Feiten en omstandigheden

De Consiglio di Stato (Italië) heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Kunnen artikel (art.) 1, lid 5, en art. 32 van richtlijn 2004/18 en art. 33 van richtlijn 2014/24 tot intrekking van richtlijn 2004/18 aldus worden uitgelegd dat een raamovereenkomst kan worden gesloten waarin:
– een aanbestedende dienst handelt voor zichzelf en voor andere, specifiek vermelde aanbestedende diensten, die deze raamovereenkomst evenwel zelf niet ondertekenen;
– de hoeveelheid prestaties die bij de plaatsing van de op de raamovereenkomst gebaseerde volgende opdrachten kan worden gevraagd door de aanbestedende diensten die de raamovereenkomst niet hebben ondertekend, niet is bepaald?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kunnen de art. 1, lid 5, en art. 32 van richtlijn 2004/18 en art. 33 van richtlijn 2014/24 dan aldus worden uitgelegd dat een raamovereenkomst kan worden gesloten waarin:
– een aanbestedende dienst handelt voor zichzelf en voor andere, specifiek vermelde aanbestedende diensten, die deze raamovereenkomst evenwel zelf niet ondertekenen;
– de hoeveelheid prestaties die bij de plaatsing van de op de raamovereenkomst gebaseerde volgende opdrachten kan worden gevraagd door de aanbestedende diensten die de raamovereenkomst niet hebben ondertekend, wordt bepaald onder verwijzing naar hun normale behoefte?

Oorspronkelijk partij bij de raamovereenkomst

Art. 32, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2004/18, gelezen in het licht van overweging 11 ervan, bepaalt dat wanneer een raamovereenkomst wordt gesloten met meerdere opdrachtnemers, de volgende opdrachten worden gegund nadat de partijen bij de raamovereenkomst opnieuw tot mededinging zijn opgeroepen met betrekking tot de nog niet bepaalde voorwaarden. In dezelfde zin verplicht punt 18 onder het opschrift ‘Aankondiging van overheidsopdrachten’ van bijlage VII A bij die richtlijn de aanbestedende dienst die oorspronkelijk partij was bij de raamovereenkomst om het ‘aantal ondernemers dat zal deelnemen, in voorkomend geval het maximumaantal [...]’ te vermelden.

Uit deze bepalingen volgt dat het vereiste, oorspronkelijk partij te zijn bij de raamovereenkomst, slechts geldt voor de ondernemers, aangezien er geen sprake van kan zijn de aanbestedende diensten zelf tot mededinging op te roepen.

Deze uitlegging draagt bij aan het waarborgen van het nuttig effect van art. 1, lid 5, en artikel 32 van richtlijn 2004/18, die met name beogen ervoor te zorgen dat overheidsbestellingen efficiënter worden geplaatst, door het bevorderen – via het gebruik van raamovereenkomsten – van gezamenlijke overheidsaankopen teneinde schaalvoordelen te realiseren.

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat art. 32, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2004/18 bedoeld is om aan een aanbestedende dienst de mogelijkheid te geven om andere aanbestedende diensten toegang te verlenen tot een raamovereenkomst die hij voornemens is te sluiten met de ondernemers die daarbij oorspronkelijk partij zullen zijn.

Art.  32, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2004/18 vereist dus niet dat een ‘secundaire’ aanbestedende dienst, zoals de ASST Valcamonica in het hoofdgeding, de raamovereenkomst heeft ondertekend om een volgende opdracht te kunnen plaatsen.

Voorwaarden

Uit art.  1, lid 5, van richtlijn 2004/18 blijkt dat een raamovereenkomst tot doel heeft gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid.
- uit een aantal andere bepalingen van richtlijn 2004/18 blijkt dat de raamovereenkomst van bij het begin de maximale hoeveelheid leveringen of diensten moet vaststellen waarop de volgende opdrachten betrekking kunnen hebben;  
- overeenkomstig art. 32, lid 3, van richtlijn 2004/18 moeten, als er een raamovereenkomst is gesloten met één enkele ondernemer, de op die raamovereenkomst gebaseerde opdrachten worden gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden. Hieruit volgt dat de aanbestedende dienst die oorspronkelijk partij is bij de raamovereenkomst, zich slechts tot een bepaalde hoeveelheid kan verbinden, zowel voor eigen rekening als voor rekening van de potentiële aanbestedende diensten die duidelijk in die overeenkomst zijn aangewezen, en dat, zodra die hoeveelheid is bereikt, die overeenkomst geen effect meer sorteert;
- deze uitlegging kan de naleving van de fundamentele beginselen (m.n. de beginselen van transparantie en gelijke behandeling) voor het plaatsen van overheidsopdrachten waarborgen, die van toepassing zijn wanneer overeenkomstig art. 32, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2004/18 een raamovereenkomst wordt gesloten. De raamovereenkomst valt immers algemeen gesproken onder het begrip 'overheidsopdracht' aangezien zij de diverse opdrachten waarop zij betrekking heeft, tot een geheel verenigt;
- de verplichting geeft voor de aanbestedende dienst die oorspronkelijk partij is bij de raamovereenkomst om in die overeenkomst de hoeveelheid en het bedrag van de daaronder vallende diensten te specificeren, uitvoering aan het in art. 32, lid 2, vijfde alinea van richtlijn 2004/18 neergelegde verbod van oneigenlijk gebruik van raamovereenkomsten en van gebruik ervan om de mededinging te hinderen, te beperken of te vervalsen.

Antwoord

Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat art. 1, lid 5, en art. 32, lid 2, vierde alinea, van richtlijn 2004/18 aldus moeten worden uitgelegd dat:
- een aanbestedende dienst voor zichzelf kan handelen, alsook voor andere duidelijk aangewezen aanbestedende diensten die niet rechtstreeks partij bij een raamovereenkomst zijn, mits de vereisten van openbaarheid en rechtszekerheid en bijgevolg van transparantie in acht worden genomen, en
- het uitgesloten is dat aanbestedende diensten die deze raamovereenkomst niet hebben ondertekend, de hoeveelheid prestaties die kan worden verlangd bij het plaatsen van opdrachten op grond van deze raamovereenkomst niet vaststellen dan wel vaststellen onder verwijzing naar hun normale behoeften, omdat anders inbreuk wordt gemaakt op de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van de ondernemers die interesse hebben in de sluiting van die raamovereenkomst.

(IBR, 3 januari 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu