Concessie kansspelen (week 52)

De Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over drie vragen. Met zijn drie vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de nationale wettelijke regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, en bepaalde voorschriften van de uitvoeringsbesluiten daarvan verenigbaar zijn met de artikelen 49 en 56 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid en met de bepalingen van richtlijn 2014/23. (HvJEU 19 december 2018, C-375/17, ECLI:EU:C:2018:1026)

Eerste vraag

Moeten de artikelen 49 en 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die voor de concessie van de exploitatie van de lotto voorziet in een model met één enkele concessiehouder, anders dan voor andere spelen en weddenschappen, waarop een model met verschillende concessiehouders van toepassing is?

Op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die voor de concessie van de exploitatie van de lotto voorziet in een model met één enkele concessiehouder, anders dan voor andere spelen en weddenschappen, waarvoor een model met verschillende concessiehouders geldt, voor zover de nationale rechter vaststelt dat met de nationale wettelijke regeling daadwerkelijk op een samenhangende en stelselmatige wijze de legitieme doelstellingen worden nagestreefd waarop de betrokken lidstaat zich beroept.

Tweede vraag

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de artikelen 49 en 56 VWEU en de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling en de uitvoeringsbesluiten daarvan, als aan de orde in het hoofdgeding, die voor de concessie van de exploitatie van de lotto voorzien in een hoge basisaanbestedingswaarde in verhouding tot de overige vereisten inzake economische, financiële en technisch-organisatorische draagkracht.

Op de tweede vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU en de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling en de uitvoeringsbesluiten daarvan, als aan de orde in het hoofdgeding, die voor de concessie van de exploitatie van de lotto voorzien in een hoge basisaanbestedingswaarde, mits deze waarde duidelijk, precies en ondubbelzinnig is geformuleerd en objectief is gerechtvaardigd, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

Derde vraag

De derde vraag van de verwijzende rechter lijkt te berusten op het postulaat dat het Hof de wettigheid van de exploitatie van activiteiten in verband met kansspelen, door bemiddeling van datatransmissiecentra (hierna: DTC’s), in het kader van het vrij verrichten van diensten in zijn rechtspraak heeft erkend.

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het Hof het gebruik van het concessiesysteem in de kansspelsector heeft goedgekeurd op grond dat dit een doeltreffend mechanisme kan vormen om de in de kansspelsector actieve exploitanten te controleren met het doel de exploitatie van deze activiteiten voor criminele of frauduleuze doeleinden te voorkomen.

Ofschoon het Hof heeft vastgesteld dat bepaalde voorschriften van aanbestedingen die voor de gunning van concessieovereenkomsten voor diensten inzake kansspelen werden uitgeschreven, niet verenigbaar zijn met het Unierecht, heeft het geen uitspraak gedaan over de wettigheid als zodanig van de exploitatie van activiteiten in verband met kansspelen, door bemiddeling van DTC’s, in het kader van het vrij verrichten van diensten.

Gelet op deze verduidelijking moet de derde vraag aldus worden geherformuleerd dat de verwijzende rechter met deze vraag in wezen wenst te vernemen of de artikelen 49 en 56 VWEU en de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een bepaling als aan de orde in het hoofdgeding, die in een modelconcessieovereenkomst bij een aanbesteding is opgenomen en voorziet in de vervallenverklaring van de concessie voor de exploitatie van de lotto:
– wanneer een strafbaar feit is gepleegd, ten aanzien waarvan de voorgeleiding aan een rechter is bevolen en ten aanzien waarvan de aanbestedende dienst meent dat het, wegens de aard en de ernst ervan, de wijze waarop het is gepleegd en het verband ervan met het voorwerp van de in concessie gegeven activiteit, uitsluit dat de concessiehouder betrouwbaar en beroepsbekwaam is en moreel handelt,
– of wanneer de concessiehouder de voorschriften voor het tegengaan van onregelmatige, illegale en clandestiene spelen schendt en, in het bijzonder, wanneer hij zelf dan wel via ondernemingen waarover hij zeggenschap uitoefent of via verbonden ondernemingen, ongeacht waar die zijn gevestigd, andere spelen die vergelijkbaar zijn met de lotto in de handel brengt zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste vergunning.

Gelet op deze overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een bepaling als aan de orde in het hoofdgeding, die in een modelconcessieovereenkomst bij een aanbesteding is opgenomen en voorziet in de vervallenverklaring van de concessie voor de exploitatie van de lotto:
– wanneer een strafbaar feit is gepleegd, ten aanzien waarvan de voorgeleiding aan een rechter is bevolen en ten aanzien waarvan de aanbestedende dienst meent dat het, wegens de aard en de ernst ervan, de wijze waarop het is gepleegd en het verband ervan met het voorwerp van de in concessie gegeven activiteit, uitsluit dat de concessiehouder betrouwbaar en beroepsbekwaam is en moreel handelt,
– of wanneer de concessiehouder de voorschriften voor het tegengaan van onregelmatige, illegale en clandestiene spelen schendt en, in het bijzonder, wanneer hij zelf dan wel via ondernemingen waarover hij zeggenschap uitoefent of via verbonden ondernemingen, ongeacht waar die zijn gevestigd, andere spelen die vergelijkbaar zijn met de lotto in de handel brengt zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste vergunning, mits deze clausules zijn gerechtvaardigd, evenredig aan het nagestreefde doel blijken te zijn en stroken met het transparantiebeginsel, hetgeen de nationale rechter in het licht van de in het onderhavige arrest verschafte aanwijzingen dient na te gaan.

(IBR, 3 januari 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu