Disproportionaliteit voorwaarden (week 44)

De voorzieningenrechter overweegt dat de prijs niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de te leveren jeugdhulp en dat de H10-gemeenten zijn gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel, die ook bepalend zijn bij de tariefdiscussie. De door H10-gemeenten gehanteerde tarieven dienen aangepast te worden. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11096)

Feiten

Per 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk geworden voor het bieden van Jeugdhulp op grond van de Jeugdwet.

De H10-gemeenten (bestaande uit de gemeenten: Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar, Westland en Zoetermeer) hebben destijds raamovereenkomsten gesloten met diverse jeugdhulpaanbieders, die binnenkort eindigen. De H10-gemeenten hebben tijdens marktconsultaties geïnteresseerde jeugdhulpaanbieders om advies gevraagd over de uitgangspunten die daarbij zouden moeten gelden en over het aanmeldingstraject.

Stichting Jeugdformaat (hierna: Jeugdformaat) heeft bezwaren geuit ten aanzien van deze procedure. Zij heeft meegedeeld niet langer een oordeel vraagt van de voorzieningenrechter over de disproportionaliteit van de voorwaarden an sich, maar haar bezwaren tegen de ontoereikende tarieven wel te handhaven, waarbij de kostenverhogende aspecten van bepaalde voorwaarden nog steeds een rol spelen.

Gebleken is dat in deze procedure 85% van de marktpartijen die jeugdhulp aanbieden zich heeft geschaard achter de stellingen van Jeugdformaat. Dit zijn – zo is onweersproken gebleven – alle bonafide partijen, die zich stuk voor stuk gemotiveerd op het standpunt hebben gesteld dat zij niet kostendekkend kunnen inschrijven op de aanmeldingsprocedure en dat dit tot grote problemen zal leiden, zowel in hun organisatie als op het vlak van de kwaliteit en continuïteit van de jeugdhulpverlening. Dit vormt de kern van het geschil tussen partijen in dit geding.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de prijs niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de te leveren jeugdhulp. Er dienen dan ook specifieke omstandigheden, verbonden aan de regio waarin de hulp wordt verleend, mede in aanmerking te worden genomen bij de tariefstelling. Ook moet acht worden geslagen op bepaalde organisatie-specifieke aspecten die een significante impact kunnen hebben op de kostenopbouw. Voor zover de H10-gemeenten met hun stelling, dat zij geen ruimte hebben om rekening te houden met alle individuele jeugdhulpaanbieders, hebben willen betogen dat zij met dit soort omstandigheden feitelijk geen rekening hoeven te houden, wordt daaraan voorbij gegaan. Het hanteren van reële tarieven vergt wel degelijk dat rekening wordt gehouden met gelegitimeerde regionale of anderszins goed onderbouwde kostenverschillen.

Ten slotte is nog van belang dat de H10-gemeenten zijn gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe behoort onder meer het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel. De voorzieningenrechter volgt de H10-gemeenten niet in hun standpunt dat dit beginsel niet bepalend is bij de tariefdiscussie. Vanzelfsprekend moeten de H10-gemeenten op grond van dat beginsel bij de vaststelling van een reële kostprijs blijk geven van een redelijke beoordeling en afweging van belangen en redelijke keuze van middelen en moet een redelijk evenwicht worden gevonden tussen de tegenstrijdige algemene en individuele belangen die hierbij een rol spelen. Hier komt nog bij dat de toepasselijkheid van onder meer dit beginsel ook volgt uit het door de H10-gemeenten gegeven antwoord op een vraag over de gekozen procedure, dat inhoudt dat zij hebben gekozen voor de voor alle partijen minst belastende wijze van inkopen die tegelijk wel invulling geeft aan de beginselen van transparantie, objectiviteit, non-discriminatie en proportionaliteit.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de H10-gemeenten onvoldoende aannemelijk hebben weten te maken dat zij in de aanmeldingsprocedure op proportionele wijze reële tarieven hebben vastgesteld die kostendekkend zijn en voldoen aan de eisen van de Jeugdwet. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om in dit geding de primair sub 2 gevorderde spoedvoorziening (dat de H10-gemeenten de tarieven die zij hanteren in de aanmeldingsprocedure zodanig dienen te wijzigen dat deze in lijn zijn met art. 2.12 van de Jeugdwet) te treffen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit verstrekkende gevolgen heeft voor de H10-gemeenten, gelet op de door hen geschetste tijdnood waarin zij zich bevinden. Dit kan echter niet ten nadele strekken van de jeugdhulpaanbieders, nu zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in grote problemen komen als de aanmeldingsprocedure wordt voorgezet op de huidige wijze.

(IBR, 30 oktober 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl