De markt voor huishoudelijke hulp: Gemeentelijk inkoopbeleid en gebruik door burgers onder de Wmo 2007

Bron: SCP  

Gemeenten kochten in de periode 2007-2013 huishoudelijke hulp voor Wmo-gebruikers heel gevarieerd in. Hiermee leggen gemeenten eigen accenten in de manier waarop ze aanbieders van huishoudelijke hulp selecteren en in de contracten die ze met hen sluiten. Opvallend genoeg ontlopen de verschillende aanbestedingsvormen elkaar weinig in de prijzen die gemeenten voor de hulp betalen. Voor de eigen bijdragen van gebruikers maakt het niet veel uit in welke gemeente men woont. Dit blijkt uit het onderzoek 'De markt voor huishoudelijke hulp: Gemeentelijk inkoopbeleid en gebruik door burgers onder de Wmo 2007', van het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). (februari 2017)

Met de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in 2007 (Wmo 2007) zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor het leveren van huishoudelijke hulp aan zelfstandig wonende burgers die niet zonder hulp een huishouden kunnen voeren. Deze studie beschrijft de ontwikkelingen op de markt voor huishoudelijke hulp vanaf het eerste jaar van de decentralisatie tot en met het een na laatste jaar voor de invoering van de 'nieuwe' Wmo in 2015. Centraal staan de manier waarop gemeenten de hulp inkopen en de vraag welke gevolgen dit heeft voor de burger.

Hierbij worden 2 beleidsinstrumenten onder de loep genomen: de aanbestedingsvorm en intergemeentelijke samenwerking bij de inkoop.

Aanbestedingsvormen

Voor wat betreft de aanbestedingsvormen zien we veel variatie tussen gemeenten in het gebruik ervan. Ook is de meerderheid van de gemeenten in de loop der jaren overgestapt op een ander inkoopmodel.

Opvallend genoeg ontlopen de prijzen tussen de verschillende modellen elkaar weinig. Een goede verklaring hiervoor is dat bijna alle gemeenten – ongeacht het toegepaste aanbestedingsmodel – meerdere aanbieders contracteren, zodat gebruikers wat te kiezen hebben en aanbieders hun best moeten doen om bestaande cliënten te behouden of nieuwe aan te trekken. Het beperkte prijsverschil tussen aanbestedingsvormen biedt gemeenten ruimte om bij de aanbesteding te sturen op andere zaken dan de prijs, zoals kwaliteit of lage administratieve lasten van het inkoopproces.

Invloed prijzen verschillende aanbieders

Ook blijken grote aanbieders van huishoudelijke hulp binnen de gemeente geen substantieel hogere prijzen te bedingen dan kleine aanbieders. Als het om de prijs gaat, speelt het marktaandeel van de aanbieder dus nauwelijks een rol. Verder bedingen samenwerkende gemeenten geen lagere prijzen dan gemeenten die zelfstandig inkopen. Toch kan het voor gemeenten aantrekkelijk zijn om samen te werken wanneer dit leidt tot kennisdeling over de inkoopprocedure en lagere aanbestedingskosten.

Invloed prijzen op eigen bijdragen

Daarnaast is er in deze studie gekeken naar de invloed van de prijzen voor huishoudelijke hulp op de eigen bijdragen die gebruikers afdragen. Gezien de relatief geringe prijsverschillen tussen aanbestedingen en het feit dat de eigen bijdrage gemaximeerd is, maakt het voor de hoogte van de eigen bijdrage niet veel uit in welke gemeente de cliënt woont. Persoonlijke omstandigheden (inkomen, huishoudenssamenstelling, leeftijd) spelen daarbij een veel belangrijkere rol. Ten slotte zien we dat er een beperkt remmend effect van de eigen bijdrage op het gebruik uitgaat.

Wmo 2015

Hoewel dit boek zich beperkt tot de markt voor huishoudelijke hulp onder de Wmo 2007, zijn de verkregen inzichten relevant voor het gemeentelijk inkoopbeleid onder de Wmo 2015. Er zijn namelijk belangrijke parallellen tussen beide wetten. Vaak leveren de aanbieders van huishoudelijke hulp ook de 'nieuwe' Wmo-voorzieningen, zoals begeleiding. En ook bij de inkoop van zogenoemde maatwerkvoorzieningen die vallen onder de Wmo 2015 kunnen gemeenten ervoor kiezen om samen te werken en hanteren zij vaak dezelfde inkoopmodellen die ook onder de Wmo 2007 gangbaar waren.

Onderzoek