Eerste evaluatie Jeugdwet: Na de transitie nu de transformatie

Bron: ZonMW  

Er is een tussenevaluatie van de per 1 januari 2015 ingevoerde Jeugdwet opgesteld. De Jeugdwet heeft als hoofddoel het jeugdstelsel te vereenvoudigen en het efficiënter en effectiever te maken. Binnen 3 jaar na de inwerkingtreding is een verslag opgesteld over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. (januari 2018)

Deze evaluatie richt zich op de beantwoording van de volgende vragen:

  • Hoe wordt de Jeugdwet in de praktijk uitgevoerd?
  • Bewegen de resultaten zich in de richting van de doelen van de wet?
  • Welke mogelijkheden zijn er om de implementatie van de Jeugdwet te verbeteren en mogelijke knelpunten die in de uitvoeringspraktijk spelen, op te lossen?
  • Biedt de Jeugdwet een doelmatig wettelijk kader voor jeugdigen en gezinnen die jeugdhulp of bescherming behoeven en de daarin te realiseren transformatie? Lijken er bijstellingen van de wet nodig en zo ja welke mogelijkheden zijn er om dit kader te verbeteren?

Ongewenste effecten van aanbesteden

Het proces van aanbesteding kent in de praktijk onbedoelde, en in dit geval ook ongewenste, effecten. De onbedoelde en ongewenste effecten van aanbesteding zijn op verschillende plekken zichtbaar geworden en ook benoemd door zowel gemeenten als aanbieders van jeugdhulp. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Aanbieders van jeugdhulp, die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een samenhangend aanbod van hulp, worden in een aanbestedingscontext als concurrenten tegenover elkaar gezet.
  • Gemeenten en aanbieders houden zich aan regels die op gespannen voet staan met de wens om in goed overleg te komen tot een zo afgewogen mogelijk hulpaanbod met een goede samenhang tussen de gemeentelijke toegang en hulp door lokale teams en de meer specialistische aanbieders.
  • Aanbesteden kan ook betekenen dat bestaande hulpverleningsrelaties worden afgebroken.
  • Aanbesteden leidt tot extra administratieve lasten en hoge kosten bij zowel de aanbestedende dienst als bij de aanbieders van hulp.

Inkoop van GI's

Inkoop van GI's door gemeenten zorgt voor een ongewenst rolconflict. De GI-functie wordt ingekocht door gemeenten. Dat maakt dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de GI's en de gemeenten, terwijl ook van de GI's wordt verwacht dat zij zorg dragen voor adequate hulp, die dan door gemeenten moet zijn of worden ingekocht. Het rolconflict van GI's in hun relatie tot de gemeenten draagt niet bij aan de beoogde werking van de Jeugdwet.

Gezamenlijke inkoop

Gemeenten kunnen samen optrekken bij de inkoop van bijzondere, specialistische voorzieningen. Een kanttekening hierbij is dat beslissingen die op een regionaal niveau worden genomen zich aan de controle van de gemeenteraad kunnen onttrekken. Direct betrokkenheid van de gemeenteraden is dan ook wenselijk. Een tweede kanttekening is dat de gemeente, beter dan de landelijke overheid, in staat is de verbinding te leggen tussen de verschillende domeinen en deze passend te combineren voor hun burgers. Op het moment dat meer beslissingen over de jeugdhulp op een hoger aggregatieniveau worden genomen, zal dit het domeinoverstijgend werken compliceren. 

Evaluatie