Dwaling (week 24)

DVG schrijft als laagste in op opdracht WMO-vervoer en er wordt een nieuwe overeenkomst gesloten. Vervolgens klaagt hij over onduidelijkheden in het bestek en stelt hij vordering in tot wijziging van de vervoersprijs op grond van dwaling. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5361)

Feiten en omstandigheden

Taxicentrale [A] B.V. (verder: [A] ) verzorgde voor Noorderbrug van 1996 tot 2011 het cliëntenvervoer in de regio Drachten. Dit gebeurde laatstelijk op basis van een vast maandelijks bedrag, op basis van een vaste rittenplanning, voor het vervoer van cliënten naar de dagbesteding en op basis van afrekening van individuele ritten voor vervoer naar locaties voor begeleid werken. De tarieven konden naderhand, in onderling overleg, ook aangepast worden indien een bepaalde bandbreedte werd overschreden. Dit is ook een aantal malen gebeurd.

Ten behoeve van het vervoer van haar cliënten in de regio Friesland heeft Noorderbrug een Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het sluiten van een nieuw vervoerscontract voor de periode 2011 t/m 2013.

De opdracht was onderverdeeld in twee percelen. DVG heeft in nauwe samenspraak met [A] een inschrijving voor perceel 2 ingediend in de aanbestedingsprocedure. Deze is als meest gunstige aanbieding uit de bus gekomen en een en ander heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat Noorderbrug en DVG op 25 november 2010 een overeenkomst hebben gesloten voor het cliëntenvervoer met een looptijd van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 en een eenzijdige verlengingsoptie van drie maal een jaar die alleen door Noorderbrug kan worden ingeroepen.

Nog voor de ingang van het nieuwe contract heeft DVG bij mail van 23 december 2010 haar bezorgdheid uitgesproken over de daadwerkelijke planning. In mei 2011 heeft DVG deze klacht herhaald, waarbij DVG heeft gevraagd een planning te mogen maken die afwijkt van de bestekseisen. Dit is door Noorderbrug geweigerd. Ook in oktober 2011 heeft [A] op aanpassing aangedrongen, zonder succes.

Eerste aanleg

DVG heeft in eerste aanleg kort samengevat gesteld dat zij gedwaald heeft bij de totstandkoming van het op 25 november 2010 gesloten vervoerscontract en gevorderd dat de rechtbank de prijs aanpast in die zin dat Noorderbrug gehouden wordt om de meerkosten à € 175.000 te voldoen aan DVG ter opheffing van het nadeel dat DVG heeft geleden. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep op dwaling niet opgaat. Voor zover DVG heeft gesteld dat Noorderbrug vervoer aan de overeenkomst heeft toegevoegd, is, indien waar, sprake van meerwerk dat separaat in rekening kan dan wel had kunnen worden gebracht.

Oordeel Hof

DVG betoogt dat Noorderbrug onjuiste informatie in het bestek heeft verstrekt, waardoor zij in dwaling is geraakt omtrent de bezettingsgraad van de door haar ingezette vervoersmiddelen en dien ten gevolge een te lage uurprijs voor de diverse vervoerssoorten heeft geoffreerd.

Zij baseert dit standpunt op een tweetal pijlers. De eerste pijler is dat het vervoer naar de werkplek aan de opdracht is toegevoegd.

Het hof overweegt dat uit het bestek volgt dat ook vervoer naar het werk tot de opdracht behoorde. Van een latere uitbreiding van de opdracht zoals aanbesteed met vervoer naar het werk is dan ook geen sprake. Dat de aanbestede opdracht afwijkt van de situatie van voor 1 januari 2011 toen werkplekvervoer separaat gefactureerd kon worden tegen een eigen kostprijs, maakt dat uiteraard niet anders. Ook het argument dat in de fictieve planning geen reisopdracht naar de werkplek was opgenomen, baat DVG niet. De bijlage bij het bestek is niet belangrijker dan de tekst van het bestek zelf.

De tweede pijler voor de dwalingsvordering is dat volgens DVG Noorderbrug in bijlage 18 bij het bestek geen reëel beeld van de uit te voeren rittenplanning heeft verstrekt. Volgens haar weken de parameters in de fictieve planning af van de realiteit. Het hof overweegt dat het bestek op dit punt niet uitmunt in duidelijkheid.

Voor een geslaagd beroep op dwaling is nodig dat DVG op grond van deze wat onduidelijke wijze van informatieverstrekking lagere prijzen heeft geoffreerd dan zij bij een geheel consistent bestek had gedaan. Haar stelling dat zij er op mocht vertrouwen dat de fictieve planning en opgave van beladen uren wel juiste parameters zou bevatten - hetgeen het hof, mede gelet op de ter comparitie gegeven toelichting opvat als dat de planning en opgave van de beladen uren wel in overeenstemming is met de bestekvoorwaarden - kan het hof niet rijmen met de informatie die in eerste nota van inlichtingen uitdrukkelijk is gegeven.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat ook de tweede pijler de dwalingsvordering niet kan dragen.

Slotsom

De grieven falen, het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

(IBR, 13 juni 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl