Eiswijziging, nieuwe beoordelingscommissie in geval van heraanbesteding, toegestaan? (week 31)

S heeft in deze procedure haar eis gewijzigd en vordert dat F, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen en overgaat tot heraanbesteding, de inschrijvingen conform de door F vastgestelde beoordelingssystematiek te laten beoordelen door een geheel nieuwe door F in te stellen onafhankelijke en onbevooroordeelde beoordelingscommissie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eiswijziging is toegestaan, maar dat dit S niet kan baten. (Voorzieningenrechter Rechtbank Oost-Brabant 21 juli 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3634)

Feiten en omstandigheden

Voor de feiten verwijst de voorzieningenrechter naar het tussenvonnis (ECLI:NL:RBOBR:2020:3633). In dit tussenvonnis zijn inhoudelijk verder geen overwegingen afgezien dat er een spoedeisend belang is. De feiten luiden als volgt:

Op 18 november 2019 heeft F een Europese openbare aanbesteding aangekondigd voor de opdracht tot het leveren van IT gebruikershardware.

S heeft tijdig op de aanbesteding ingeschreven en een geldige inschrijving ingediend. S was één van de totaal drie vennootschappen die op de aanbesteding inschreven. F heeft bij brief van 11 februari 2020 aan S te kennen gegeven de opdracht aan B te gunnen. S heeft hiertegen bezwaar gemaakt en twijfelt aan de deskundigheid van de leden van de beoordelingscommissie. Naar mening van S is de beoordelingscommissie buiten haar eigen beoordelingskader getreden en heeft zich bediend van nieuwe beoordelingsaspecten die niet vooraf uit de aanbestedingsstukken kenbaar waren, zodat F in strijd met het transparantie en het gelijkheidsbeginsel zou hebben gehandeld. Verder stelt S dat de gunningsbeslissing onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd, waardoor deze de gunningsbeslissing niet kan dragen.

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van heden in de procedure tussen C en F (C/01/3566260/KG ZA 20-138) F geboden de aanbestedingsprocedure binnen een week na heden in te trekken en, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen over te gaan tot her aanbesteding. De vraag rijst wat het vonnis in de hiervoor genoemde procedure betekent voor het onderhavige kort geding. De voorzieningenrechter zal eerst S en daarna F in de gelegenheid stellen bij akte aan te geven wat de consequenties van het genoemde vonnis voor de onderhavige procedure zouden moeten zijn. S heeft in onderhavige procedure haar eis, zoals eerder aangegeven, gewijzigd.

Beoordeling van het geschil

Eiswijziging
F heeft primair aangevoerd dat het S, gelet op de beperkte opdracht in het tussenvonnis, niet was toegestaan om een eiswijziging in te dienen.

Beide partijen zijn bij tussenvonnis van 14 mei 2020 in de gelegenheid gesteld een akte in het geding te brengen met de in het tussenvonnis geformuleerde vraag, namelijk wat het (eind)vonnis in de procedure tussen C en F (C/01/3566260/KG ZA 20-138), die betrekking had op dezelfde aanbesteding, betekent voor de onderhavige kortgedingprocedure. S heeft, conform de voorzieningenrechter in het tussenvonnis heeft bepaald, een akte ingediend en gereageerd op wat de consequenties van het eindvonnis voor deze procedure zouden moeten zijn. S heeft terecht vastgesteld dat de eerder geformuleerde vorderingen door de uitkomst van het eindvonnis achterhaald zijn en heeft om die reden haar eis gewijzigd. Voor de onderbouwing van de eiswijziging heeft S verwezen naar haar stellingen in de dagvaarding en de pleitnotitie. De eiswijziging wordt dus gestaafd met stellingen die al in een eerder stadium van deze procedure aan bod zijn geweest en waarop F heeft kunnen reageren. F heeft na het indienen van de akte met eiswijziging, de gelegenheid gehad om bij akte te reageren op de gewijzigde eis, en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt.

F wordt geacht niet te zijn geschaad in haar procesbelangen door de eiswijzigingen van S en deze zal dan ook worden toegelaten.

Overige vorderingen

De (gewijzigde) vorderingen van S zien op de samenstelling van de beoordelingscommissie in een volgende door F op te starten aanbestedingsprocedure.

S heeft de stelling er niet bekend mee te zijn of de zeven beoordelaars die de inschrijvingen inhoudelijk hebben beoordeeld, beschikten over de vereiste (materie)deskundigheid en ervaring om de inschrijvingen goed te kunnen beoordelen, onvoldoende gemotiveerd aangezien deze door F is betwist.

S heeft ook vraagtekens geplaatst bij de onafhankelijkheid van de beoordelingscommissie omdat de beoordelaars verbonden waren aan F. F. heeft daarop gereageerd en erop gewezen dat in het bij de aanbesteding geldende aanbestedingsdocument is bepaald dat de beoordelingscommissie bestaat uit beoordelaars van de aanbestedende dienst.

Dat bij een aanbesteding de inschrijvingen worden beoordeeld door aan de aanbestedende dienst verbonden medewerkers, is niet ongebruikelijk.

Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat de beoordelingscommissie die F heeft ingesteld in de aanbestedingsprocedure die in dit kort geding aan de orde is, dermate ondeskundig dan wel onvoldoende onafhankelijk was dat nu reeds op voorhand zou moeten worden geoordeeld dat, indien F opnieuw gaat aanbesteden en zij weer gebruik zou gaan maken van een beoordelingscommissie, het samenstellen van een andere/nieuwe beoordelingscommissie geboden is. 

(IBR, 29 juli 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl