Gedragsverklaring Aanbesteden niet tijdig overlegd (week 41)

R. heeft na een uitnodiging ingeschreven op een meervoudige onderhandse aanbesteding van de Provincie. Zij heeft bij de inschrijving geen Gedragsverklaring Aanbesteden (hierna: GVA) ingediend. Om deze reden heeft de Provincie de inschrijving van R. als ongeldig terzijde gelegd. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 27 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8792)

Feiten en omstandigheden

De Provincie heeft een meervoudige onderhandse aanbestedingsprocedure georganiseerd om een contract te kunnen sluiten voor het onderhoud van de glasvezelinfrastructuur ten behoeve van bruggen en sluizen. Op de aanbestedingsprocedure zijn de Aanbestedingswet (Aw) en het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (ARW 2016) van toepassing.

Op 5 maart 2020 om 14.58 heeft R. een GVA aan de Provincie verstrekt. De GVA is namens de Minister voor Rechtsbescherming afgegeven op 3 maart 2020.

Beoordeling geschil

R. stelt allereerst dat er sprake is van tegenstrijdigheden in de aanbestedingsstukken over het moment waarop de GVA moet worden ingediend. Dit betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter is met de Provincie van oordeel dat op basis van de Leidraad voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver duidelijk moest zijn dat de GVA op het moment van inschrijven diende te worden verstrekt. Dit staat op die manier immers uitdrukkelijk en gemotiveerd in de Leidraad. De omstandigheid dat de GVA niet genoemd staat in de checklist en in CMT laat de bepalingen in de Leidraad onverlet, te meer omdat aldaar ook gemotiveerd wordt waarom de GVA al bij inschrijving moet worden overlegd. Voor zover voor R. door het ontbreken van de GVA in de checklist twijfelde over het moment waarop de GVA moest worden overlegd, is die twijfel in elk geval – dat erkent R. ook – weggenomen op het moment van bekendmaking van de Nota van Inlichtingen (hierna: NvI).

R. heeft nog betoogd dat de wijze waarop zij de aanbestedingsstukken heeft begrepen ook in lijn is met art. 7.10.2 ARW 2016, waarin is bepaald dat de aanbesteder niet verlangt dat een ondernemer bij zijn inschrijving gegevens en inlichtingen op een andere wijze versterkt, als deze gegevens en inlichtingen in de eigen verklaring gevraagd kunnen worden. R. stelt dat de GVA is bedoeld als onderbouwing/bewijs dat geen van de door de Provincie gehanteerde uitsluitingsgronden van toepassing zijn op R. Dat geen van die uitsluitingsgronden van toepassing is, verklaarde R. ook in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA). De GVA geeft dus inlichtingen die de Provincie ook uit het UEA kan verkrijgen en als uitgangspunt geldt daarom dat de Provincie in de inschrijving genoegen moet nemen met het UEA en alleen van de inschrijver die in aanmerking komt voor gunning een GVA mag verlangen. Ook dit betoog baat R. niet. Immers op grond van art. 1.22 Aw 2012 mag een aanbestedende dienst gemotiveerd afwijken van voorschriften uit het ARW 2016. De Provincie heeft in dit geval gemotiveerd waarom zij al bij inschrijving over de GVA wilde beschikken en voldoet daarmee derhalve aan art. 1.22 Aw 2012.

Ook de stelling van R. dat zij door het moment waarop (voor haar) bekend werd dat de GVA al bij inschrijving moest worden verstrekt te weinig tijd had om tijdig een GVA te verkrijgen baat haar niet. Uit de Leidraad blijkt duidelijk hoe de GAV moest worden aangevraagd en welke beslistermijn geldt. Uit deze informatie vloeit voort dat R. hoe dan ook te laat is geweest met de aanvraag van de HVA.

Met de uiteindelijk overgelegde GVA heeft R. het gebrek in haar inschrijving niet kunnen herstellen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

De door R. alsnog verstrekte GVA dateert van nà het einde van de inschrijvingstermijn (namelijk van 3 maart 2020) en voldoet derhalve niet aan deze criteria. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat, zoals R. stelt, de bronnen op basis waarvan een GVA wordt afgegeven dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn. Indien de Provincie een GVA daterend van na het sluiten van de inschrijvingstermijn zou accepteren, zou zij simpelweg handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Overigens volgt ook uit art. 2.89 Aw en art. 7.7.9 ARW dat de GVA dat ten aanzien van de datum van de GVA moet worden gekeken naar het moment van indienen van de inschrijving.

Slotsom van het vorenstaande is dat R. niet tijdig een voor het sluiten van de inschrijftermijn afgegeven GVA heeft ingediend en dat de Provincie terecht de inschrijving van R. ongeldig heeft verklaard. Gelet hierop moeten de vorderingen van R. worden afgewezen.

(IBR, 7 oktober 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl