Geen herbeoordeling (week 6)

De voorzieningenrechter wijst de vordering die strekt tot herbeoordeling af. De voorzieningenrechter ziet geen reden tot ingrijpen, dat eiseres geen hogere waarderingscijfers toegekend heeft gekregen wordt niet onbegrijpelijk geacht. (Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 13 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9613)

Feiten en omstandigheden

Op 23 juli 2018 heeft de gedaagde een aanbestedingsprocedure uitgeschreven. De opdracht betreft het ontwerp en de bouw van een nieuw sportgebouw, dat op de universiteitscampus zal komen te staan.

Gedaagde heeft OLCO Holland Bouw B.V. (hierna: OLCO) bericht dat haar aanmelding niet behoort tot de drie hoogste scores en dat zij is geëindigd op rang 4. OLCO stelt dat er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van benadeling van de positie van OLCO. Het heeft er alle schijn van dat de beoordeling van de selectiecriteria, in het bijzonder de beoordeling van de criteria SC1, SC4 en SC5, op onjuiste (en niet objectieve) gronden heeft plaatsgevonden. De beoordeling van die drie criteria is onjuist. Dat niet het maximaal aantal punten is toegekend, is onterecht, aldus OLCO.

Beoordeling kwalitatieve criteria

Dat ten onrechte niet het maximaal aantal punten is toegekend voor SC1, SC4 en SC5, wordt door gedaagde betwist. Zij wijst erop dat de voorzieningenrechter, volgens vaste rechtspraak, alleen bij aperte onjuistheden in de beoordeling kan ingrijpen en stelt zich op het standpunt dat daarvan geen sprake is. De gestelde eventuele aanwijzingen van benadeling van OLCO zijn door de gedaagde gemotiveerd weersproken.

Als uitgangspunt geldt dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van kwalitatieve criteria. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met het recht en/of die beginselen. Aan de aangewezen – deskundige – beoordelaars moet de nodige vrijheid worden gegund. Dit klemt te meer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts indien sprake is van procedurele en/of inhoudelijke onjuistheden dan wel van onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de voorlopige gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Of in dit geval reden is tot ingrijpen, zoals OLCO betoogt, wordt per selectiecriterium beoordeeld.

Conclusie

De beoordeling leidt tot de conclusie dat geen reden wordt gezien tot ingrijpen. Hetgeen OLCO heeft gesteld over de gang van zaken na aankondiging van dit kort geding, maakt dat niet anders. De gestelde gang van zaken kan, nog afgezien van het feit dat de gedaagde tijdens de mondelinge behandeling een ander licht daarop heeft geworpen, op zichzelf niet leiden tot toewijzing van de gevorderde herbeoordeling van de criteria SC1, SC4 en SC5. De vorderingen zullen dus worden afgewezen.

(IBR, 6 februari 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl