Gelijkwaardigheid (week 24)

Het Havenbedrijf heeft een openbare Europese aanbesteding gehouden voor het project “Kade Hoogtij” dat de realisatie van een nieuwe kademuur betreft voor binnenvaart- en short sea schepen aan het Noordzeekanaal in de Westzanerpolder, gemeente Zaanstad. Bij brief van 1 maart 2018 heeft het Havenbedrijf aan de Combinatie meegedeeld dat voor de ingediende varianten 1A en 1B te weinig informatie is verstrekt om een deugdelijke toetsing te doen terzake van de gelijkwaardigheid. De Combinatie is een laatste mogelijkheid geboden om informatie te verstrekken, onder meer met betrekking tot de capaciteit en stijfheid van het systeem. (Rechtbank Amsterdam 4 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3302)

Feiten en omstandigheden

De Combinatie heeft in reactie hierop nadere informatie verstrekt.

Bij hernieuwde gunningsbeslissing van 9 maart 2018 is de inschrijving met betrekking tot de vier varianten van de Combinatie ongeldig verklaard en is meegedeeld dat het Havenbedrijf voornemens is de opdracht te gunnen aan HVO omdat zij de laagste prijs heeft geboden voor de door haar ingediende variant.

Ongeldigheid aangeboden varianten

De Combinatie heeft op de aanbesteding ingeschreven met vier varianten en een besteksoplossing voor de aanleg van een kademuur. Zij komt op tegen de ongeldigverklaring van twee aangeboden varianten, 1A en 1B. Dit betreffen aanbiedingen waarin andere buispalen en tussenplanken (de combiwand) worden voorgesteld.

Het Havenbedrijf heeft haar beslissing om de inschrijving ongeldig te verklaren toegelicht in haar brief van 9 maart 2018 waarvan het toetsingsformulier met een nadere toelichting deel uitmaakt. De inhoud van de brief, bezien in combinatie met de aanvullende toelichting in het toetsingsformulier, maakt voldoende inzichtelijk op welke gronden de inschrijving met de ingediende varianten ongeldig is verklaard.

Voorop staat dat de inschrijver op verzoek van het Havenbedrijf de gelijkwaardigheid van de ingediende variant met bewijsstukken dient aan te tonen. Het Havenbedrijf heeft de inschrijving met varianten 1A en 1B ongeldig verklaard omdat de Combinatie niet heeft aangetoond dat haar varianten minimaal gelijkwaardig zijn aan de besteksconforme inschrijving, onder meer wegens het ontbreken van een toets op plooi. Plooi (lokale buiging) van een buispaal is een bezwijkmechanisme dat zich kan voordoen als lokaal te grote krachten op die buispaal worden uitgeoefend.

De Combinatie heeft aangevoerd dat het Havenbedrijf in alle redelijkheid niet van haar kon eisen dat zij al in de aanbestedingsfase een plooiberekening zou uitvoeren. Dit zou bij uitstek een detailberekening zijn die pas in de fase van het uitvoeringsontwerp wordt uitgevoerd. Een eventueel plooigevaar kan volgens de Combinatie door middel van een detailmaatregel in de uitvoeringsfase worden voorkomen. Dit standpunt is door het Havenbedrijf en HVO gemotiveerd betwist.

Overwogen wordt als volgt. In de varianten 1A en 1B heeft de Combinatie voor een van het bestek afwijkend type combiwand gekozen. De buispalen hebben een dunnere wand en een grotere diameter. Voorshands is ter zitting aan de hand van foto’s en een toelichting voldoende aannemelijk geworden dat deze uitvoering van de buispalen de kans op plooi vergroot. Het Havenbedrijf en HVO hebben verwezen naar de krachtens het Bouwbesluit 2012 van toepassing zijnde Eurocodes (normenreeks NEN-EN-1990 t/m NEN-EN-1999) en CUR211-richtlijn. Daarin is voorgeschreven dat een plooiberekening moet worden uitgevoerd om te beoordelen of het ontwerp constructief voldoende sterk is uitgevoerd. Die plooiberekening heeft voor de besteksoplossing ook plaatsgevonden.

Dat een plooiberekening bij uitstek een detailberekening is, die pas in een latere fase van de aanbesteding behoeft te worden uitgevoerd is voorshands voldoende gemotiveerd weersproken. De Combinatie van haar kant heeft niet nader onderbouwd waarop zij haar standpunt baseert dat het gebruikelijk is de toets in een latere fase uit te voeren. Dit had wel op haar weg gelegen. Dit geldt ook voor haar stelling dat een eventueel gevaar voor plooiing van de buispalen in de uitvoeringsfase met een detailaanpassing kan worden opgelost. Dat dit mogelijk is zonder dat dit resulteert in een andere inschrijving, omdat alsnog sterkere buispalen moeten worden ingezet, is bij gebrek aan onderbouwing onvoldoende aannemelijk geworden.

Nu een voor het toetsen van de constructieve sterkte essentiële berekening ontbreekt kan de Combinatie niet aantonen dat de door haar ingediende varianten 1A en 1B minimaal eenzelfde stijfheid, sterkte, draagkracht en duurzaamheid kunnen verschaffen als de besteksoplossing. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden die voor het indienen van de varianten 1A en 1B gelden.

Gelet op het voorgaande heeft het Havenbedrijf de inschrijving met deze varianten terecht ongeldig verklaard.

(IBR, 13 juni 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl