Herbeoordeling subgunningscriterium MVI (week 46)

E. heeft zich ingeschreven op een Europese openbare aanbestedingsprocedure ten behoeve van de ‘dienstverlening warme dranken’ (hierna: de opdracht). Bij brief van 25 juni 2020 heeft R. (aanbesteder) E. bericht zij voornemens is de opdracht aan haar te gunnen. Na bekendmaking hiervan is tussen partijen discussie ontstaan over het percentage biologische producten dat aangeboden is. R. trekt de eerder genomen gunningsbeslissing in en na een herbeoordeling van de inschrijvingen op het subgunningscriterium MVI door een nieuwe beoordelingscommissie is zij voornemens de opdracht te gunnen aan A. E. stelt dat R. geen gegronde reden had voor deze handelswijze. Indien er toch een gegronde reden voor was stelt E. dat onvoldoende is gemotiveerd dat A. een betere score heeft gekregen. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 6 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11245)

Feiten en omstandigheden

Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van de beste prijs/kwaliteit. Er kunnen 50 punten worden behaald voor de prijs en 50 voor kwaliteit. Er zijn drie subgunningscriteria, waaronder maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). Per subgunningscriteria dienden de inschrijvers een anoniem plan in te dienen. Uit het Programma van Eisen en Wensen blijkt dat de duurzaamheid en biologische producten hierbij een belangrijke rol spelen. 

Beoordeling geschil

Volgens R. is het oorspronkelijke beoordelingsteam in het kader van de beoordeling van de inschrijvingen uitgegaan van een onjuiste lezing van het MVI-plan van E. doordat hierin is gelezen dat 90% van het aangeboden assortiment biologisch is. Dit percentage heeft echter betrekking op de CO2-voetafdruk door koffie en bekers. Volgens E. is in de oorspronkelijke gunningsbeslissing niet expliciet verwoord dat van het onjuiste percentage van 90% is uitgegaan. Voor zover E. hiermee betoogt dat daarmee van de gestelde onjuiste lezing geen sprake is geweest, faalt dit betoog, nu het bestaan van de onjuiste lezing in voldoende mate uit de overige bewoordingen van de oorspronkelijke gunningsbeslissing kan worden afgeleid. In die beslissing is immers geconcludeerd dat de inschrijving van E. volledig voldoet aan en geheel aansluit op alle in het programma genoemde punten, terwijl niet zonder meer kon worden aangenomen dat die conclusie voor wat betreft het beoordelingsaspect biologische producten juist is. Daarmee is het risico in het leven geroepen dat de opdracht in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou worden gegund aan een inschrijver die (mogelijk) niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft ingediend. Gelet op dit risico, heeft R. op goede gronden besloten de oorspronkelijke gunningsbeslissing in te trekken en de MVI-plannen van de beide inschrijvers aan een herbeoordeling te onderwerpen.

Vervolgens heeft E. bezwaren tegen de nieuwe gunningsbeslissing geuit. Volgens E. heeft de nieuwe beoordelingscommissie ten onrechte de score ‘Redelijk’ aan haar MVI-plan toegekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat E., hoewel dit uitdrukkelijk in het Programma van Eisen en Wensen is voorgeschreven, verzuimd heeft in haar inschrijving te benoemen en gedocumenteerd te onderbouwen welk percentage van de door haar aangeboden producten biologisch is. E. heeft zich voorafgaand aan het indienen van haar inschrijving niet tegen de toepasselijkheid van deze eis verzet dan wel over de toepassing daarvan vragen gesteld. Daarmee heeft zij – gelet op de Grossmann-doctrine – haar rechten verwerkt om deze eis, meer in het bijzonder de volgens haar bestaande onduidelijkheid over de wijze van berekenen van bedoelde percentage en het ontbreken van een voorgeschreven minimumpercentage biologische producten (alsnog) ter discussie te stellen.

Het ontbreken van voormeld percentage en de door E. in haar MVI-plan gehanteerde bewoordingen ‘zoveel mogelijk biologisch geproduceerd’, ‘binnen de budgettaire ruimte’ en ‘verbetervoorstellen van de Commercieel Manager’ rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de conclusie van de nieuwe beoordelingscommissie dat ter zake meer sprake is van een brainstormdocument dan van een SMART geformuleerd plan. Voorshands is evenmin onbegrijpelijk de constatering van de nieuwe beoordelingscommissie dat de door E. verwoorde plannen ter stimulatie van gezonde medewerkers in het ziekenhuis en het hergebruik van de biobased beker onvoldoende SMART zijn uitgewerkt. Gelet op het voorgaande voldoet het MVI-plan niet op alle punten geheel aan hetgeen ter zake in de aanbestedingsstukken is voorgeschreven en is dit plan niet op alle onderdelen goed SMART beschreven. Op grond hiervan kan de toekenning door R. van de score ‘Redelijk’ aan het MVI-plan van E. de in dit kort geding aan te leggen marginale toets der kritiek doorstaan.

Ook de stelling van E. dat R. onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij aan het MVI-plan van A. wel de score ‘Goed’ heeft toegekend, wordt niet gevolgd. R. heeft terecht opgemerkt dat zij met het verstrekken van de eindscores van zowel E. als A. en de door hen per subgunningscriterium behaalde scores en de toelichting dat A. op een aantal onderdelen meer SMART, vollediger en specifieker heeft beschreven, ruimschoots aan de op haar rustende motiveringsverplichting heeft voldaan.

Conclusie

De vorderingen van E. worden afgewezen.

(IBR, 11 november 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak   op rechtspraak.nl