Leernetwerkbijeenkomst Effectmonitoring MVI - verslag 9 november 2018

Als je het niet kunt meten, kun je het ook niet verbeteren.’ Deze uitspraak van Lord Kelvin geldt zeker voor het meten en monitoren van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI), maar blijkt in de praktijk verre van eenvoudig. In de tweede leernetwerkbijeenkomst Effectmonitoring werd het bestaande instrumentarium geanalyseerd. Met bijzondere aandacht voor de ‘blinde vlekken’ die er nog zijn en voor de zoektocht naar de ideale effectmonitoring.

‘Effectmonitoring staat nog in de steigers’, stelt Sybren Bosch van Copper8, organisator van deze leernetwerkbijeenkomst op 9 november 2018 bij Rijkswaterstaat in Utrecht. ‘Er zijn veel verschillende initiatieven. Dat is mooi. We zoeken met z’n allen naar manieren waarop we kunnen meten hoe inkoop kan bijdragen aan de doelen die we hebben gesteld op het gebied van CO2 en van materiaal.’ Mede daarom heeft Rijkswaterstaat adviesbureau Metabolic gevraagd om een analyse te maken van de verschillende instrumenten op het gebied van MVI. Met als tweede vraag: hoe komen we tot een meer eenduidige monitoring?

Huidige stand van zaken

In de presentatie van Jorrit Vervoordeldonk en Chander van der Zande van Metabolic ziet de huidige stand van zaken er zeker niet slecht uit:

  • er komt steeds meer inzicht in CO2-emissies en in grondstofverbruik, maar de impact van de volledige keten blijft lastig in beeld te krijgen;
  • er zijn meerdere indicatoren in ontwikkeling over de mate van circulariteit: sommigen gaan alleen over materiaalverbruik, anderen kijken breder naar onder meer water- en grondgebruik, kritieke en toxische grondstoffen en biodiversiteit;
  • Nederland loopt voorop bij het ontwikkelen van indicatoren voor de circulaire economie.

‘Blinde vlekken’

Internationaal ligt de focus nog heel sterk op een (bepaald) percentage circulair inkopen. Daarmee is echter het effect van deze manier van inkopen nog niet in kaart gebracht. Metabolic heeft 16 tools geanalyseerd, die middels verschillende methoden (dashboard, prestatieladder, levenscyclusanalyse (LCA)) de effecten van MVI meten. Daartussen zit onder andere de MVI-zelfevaluatietool, DuboCal (alleen voor GWW/Bouw), de CE TenderTool en de MVO Circulair Inkopen. Vervoordeldonk concludeert dat CO2-reductie en grondstoffenverbruik voor een aantal productengroepen in Nederland al goed meetbaar zijn. Verder is er al een goede vertaling van beleid naar acties, maar nog een beperkt inzicht in effect. Metabolic ziet nog ‘blinde vlekken’ op de volgende punten:

  • de aggregatie van effecten uit inkoop naar organisatieniveau is nog niet goed;
  • niet bij elke productgroep is er voldoende data aanwezig om goed effecten te kunnen meten, of het detailniveau is te gering;
  • vermeden inkoop is alleen op organisatieniveau te bepalen en dat is nu nog een brug te ver;
  • een aantal productgroepen heeft nog geen tools voor effectmeting in gebruik, ook al zijn ze wel in ontwikkeling.

Eenduidige gegevens

Na deze stand van zaken worden de deelnemers, afkomstig van onder andere Rijkswaterstaat, RIVM, Wageningen Universiteit & Research, Unie van Waterschappen en PIANOo, aan het werk gezet. In 3 willekeurige groepjes gaan ze hun huidige MVI-aanpak bespreken. Wat meten ze, met welke tools en hoe rapporteren ze? Daarna volgt de hamvraag: wat mist er?

Hierop wordt onder andere een gebrek aan data genoemd omdat er ‘document-focused’ wordt gewerkt. Ook een verificatie van de data die je binnenkrijgt en een tussentijdse toetsing van het proces van inkoop worden gemist, net als registratiesystemen voor producten en materialen, een monitoring op het effect, de impact op de markt en een systeem voor databeheer.

Vizier op de toekomst

Na deze ‘opwarmronde’ gaat het vizier op de toekomst, aan de hand van een aantal vragen. Bij de eerste vraag Hoe kun je effectmonitoring makkelijker maken en niet teveel tijd laten kosten? zou het hanteren van eenduidige gegevens en definities zeker kunnen helpen. Verder moet de datavraag aan de leverancier eenvoudig blijven. Er valt ook iets voor te zeggen om je focus te richten op de 20 procent van het inkoopvolume dat 80 procent van de problemen veroorzaakt, of op één of twee thema’s. Omdat de producent of leverancier de kennis in huis heeft, is het in ieder geval logisch om daar om data te vragen.

Overvraging

Tegenover die logica moet dan wel iets staan, vandaar de tweede vraag Hoe kun je de markt verleiden om data over effecten aan te leveren? Dat kan volgens de deelnemers op een aantal manieren, die in ieder geval de bureaucratie beperken. Door aan te sluiten op hun bedrijfsadministratie bijvoorbeeld, of door tools voor ze aan te leveren. Verder moet er continuïteit zijn, zodat ze op dezelfde manier kunnen blijven aanleveren. Met de angst voor overvraging in het achterhoofd, wordt vaak vergeten te informeren naar wat de producent of leverancier zelf al aan bruikbare data verzamelt. ‘We zijn echt niet de enige die met circulaire economie bezig zijn, slimme ondernemingen hebben daar al lang op geanticipeerd’, stelt een deelnemer. Een tweede gedachte is de leverancier belonen. Door simpelweg voor het verzamelen van die data te betalen. Of het als criterium op te nemen in een benchmark.

Materialenpaspoort

Uiteindelijk wil je niet enkel controleren of je maatschappelijk verantwoord hebt ingekocht, maar ook weten of het tot het gewenste effect heeft geleid. Dit brengt de laatste vraag omhoog, Hoe ziet de ideale effectmonitoring eruit? Die moet in ieder geval data produceren die vergelijkbaar zijn, is de algemene opinie. Eenduidigheid, standaardisatie en harmonisatie van de databronnen is een eerste vereiste. In Nederland richt het beleid zich op CO2-reductie en materialenverbruik. Daar moet je je qua data dan ook op richten. Het format van het materialenpaspoort is daar bijvoorbeeld zeer bruikbaar voor, eventueel in combinatie met blockchaintechnologie. Er moet aansluiting zijn met relevante SDG’s (Sustainable Development Goals). De effectmonitoring moet zijn gebaseerd op data en ambities, meerjarig voortduren en te sturen zijn op innovatie/duurzame ontwikkeling, én op verandering van de markt. Dat laatste, marktbeïnvloeding en marktsturing, is een ultiem doel. Vervoorveldonk: ‘Zorg ervoor dat je samen met de markt richting MVI beweegt, en dat je blijft updaten aan de hand van de “current state of the art”.’

Concept routekaart

De omvangrijke input van deze sessie is verwerkt tot een concept routekaart naar eenduidige effectmonitoring, die in de bijeenkomst van 3 december 2018 is besproken.