Nakoming van overeenkomst (week 20)

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de bevoegdheid van de Gemeenten om in de huidige omstandigheden nakoming te vorderen van de met Conexxion gesloten overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. (Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 23 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10878)

Feiten en omstandigheden

De Gemeenten zijn in januari 2014 de Europese openbare aanbesteding gestart 'Leerlingenvervoer Gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam'.

Met Connexxion Taxiservices B.V. (hierna: Connexxion) is een overeenkomst gedateerd 1 juli 2014 gesloten voor de percelen 1 en 3. Het geschil tussen partijen ziet op de gesloten overeenkomst voor perceel 1.

De overeenkomst is aangevangen per 1 augustus 2014 en per 1 augustus 2016 met een jaar verlengd. Op 13 december 2016 hebben de Gemeenten aan Connexxion bericht (ook) voor de periode 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2018 gebruik te willen maken van de verlengingsoptie.

Connexxion heeft onder meer op 5 oktober 2016 mondeling en op 10 oktober 2016 per mail bij de Gemeenten aangegeven dat zij niet langer aan de (verlengde) overeenkomst gehouden wenste te worden, omdat zij met het vervoer (te)veel verlies leed.

Connexxion heeft, omdat de Gemeenten niet bereid waren afspraken te maken per 24 oktober 2016 het vervoer van een deel van de leerlingen, de leerlingen die vervoerd dienden te worden naar adressen die niet in het bestek waren genoemd, gestaakt. De Gemeenten hebben vervolgens voor de periode vanaf de herfstvakantie tot 31 juli 2017 een overeenkomst met een andere vervoerder gesloten, tegen een hoger tarief, om de betreffende leerlingen toch van vervoer te voorzien.

Nakoming

De voorzieningenrechter overweegt dat ook voor de beantwoording van deze vraag relevant is dat de overeenkomst is gesloten nadat Connexxion de winnende Inschrijver in de door de Gemeenten geïnitieerde Europese aanbestedingsprocedure was geworden. Die context brengt met zich mee dat de Gemeenten als de aanbestedende dienst tot het einde van de fase van uitvoering van de opdracht de door hen zelf vastgestelde criteria in acht moeten nemen.

Tegelijkertijd dient te worden aangenomen dat Connexxion met haar inschrijving uitdrukkelijk heeft verklaard de contractuele voorwaarden zoals opgenomen in de aanbestedingsdocumenten integraal te onderschrijven.

De contractuele voorwaarden waren in het onderhavige geval duidelijk. Aangenomen moet worden  dat Connexxion door in te schrijven bewust, rekening houdend met de in het bestek genoemde (totaal)duur van de opdracht, een contractuele verplichting aanging voor de gehele looptijd van de overeenkomst, en daarbij het risico op verlies in die periode accepteerde.

Het voorgaande maakt dat enkel wanneer daadwerkelijk sprake zou zijn van zeer bijzondere omstandigheden die bij het sluiten van de overeenkomst niet waren te voorzien, die ondanks het voorgaande in redelijkheid niet voor rekening en risico van Connexxion zouden moeten komen, ruimte zou kunnen bestaan voor het oordeel dat het onaanvaardbaar is dat de Gemeenten van Connexxion nakoming van de overeenkomst verlangt. Hetgeen Connexxion heeft aangevoerd in dit kort geding kwalificeert niet als zodanig.

De omstandigheid dat recent een beslismoment is verstreken waarop de Gemeenten konden afzien van verlening van de overeenkomst, zoals door Connexxion is aangevoerd, doet hier niet aan af. Evident is dat de inschrijver ten tijde van het inschrijven er wat betreft zijn kosten- en batenberekening en de afweging of hij wenste in te schrijven rekening diende te houden met de situatie dat de Gemeenten de opties tot verlenging zouden benutten.

In de rede ligt immers, gelet op de door de Gemeenten te maken kosten in het geval van het initiëren van een nieuwe aanbestedingsprocedure, dat de Gemeenten in beginsel zouden kiezen voor verlenging, althans dat de inschrijver er niet op voorhand rekening mee kon houden dat de Gemeenten in beginsel zouden afzien van verlenging. Met de stelling dat de Gemeenten Connexxion zou pijnigen door nu een verlengingsrecht in te roepen, lijkt Connexxion dat te miskennen. Overigens hebben de Gemeenten hun belang – anders dan een financieel belang – bij het inroepen van de optie ter zitting deugdelijk inzichtelijk gemaakt.

Slotsom

De vordering van de Gemeenten zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.

(IBR, 16 mei 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl