Noopt wezenlijke wijziging beoordelingssysteem tot herbeoordeling? (week 37)

X. heeft zich ingeschreven op een Europese openbare aanbestedingsprocedure van Rijkswaterstaat (de aanbesteder). Rijkswaterstaat heeft naar aanleiding van het bezwaar van X., op de oorspronkelijke gunningsbeslissing, alle inschrijvers bericht over te gaan tot herbeoordeling, wegens een – naar zijn mening – wezenlijke wijziging in het beoordelingssysteem. Ook hier heeft X bezwaar tegen aangetekend. De voorzieningenrechter volgt Rijkswaterstaat in haar stelling. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 4 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7439)

Feiten en omstandigheden

Op 6 juni 2019 heeft Rijkswaterstaat, een onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een Europese openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de opdracht betreffende het meerjarig in stand houden van, monitoren van en informeren over de toestand van de vaarroute en buitenhave van IJmuiden. Onder andere X. en de VOF hebben zich ingeschreven op de aanbesteding. Op 1 mei 2020 heeft Rijkswaterstaat aan X. bericht dat hij voornemens is de opdracht te gunnen aan de VOF. X. stelt onder meer dat de VOF een ongeldige inschrijving heeft ingediend, nu zij – blijkens de gunningsbeslissing – op subcriterium 12.3 een onvoldoende heeft gescoord. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft Rijkswaterstaat uiteindelijk aan inschrijvers bericht over te gaan tot herbeoordeling. Hiertegen is X. in bezwaar gegaan. De herbeoordeling van alle inschrijvingen heeft inmiddels plaatsgevonden. Het resultaat ligt in een kluis en zal pas worden geopend na de uitspraak van dit kort geding.

Beoordeling geschil

De voorzieningenrechter volgt X. niet in haar stelling dat de inschrijving van de VOF direct ongeldig had moeten worden verklaard omdat zij op een onderdeel lager dan een 6 heeft gescoord. Uit bijlage H van de Aanbestedingsleidraad blijkt immers onmiskenbaar dat ook lager dan een zes kan worden gescoord op een kwaliteitscriterium mits de inschrijving wel voldoet aan de functionele vraagspecificatie c.q. het Programma van Eisen. In de aanbestedingsleidraad is vermeld dat bij een ongeldige inschrijving het geven van een beoordelingscijfer niet meer aan de orde is.

Nu vaststaat dat de beoordelingscommissie wél een cijfer heeft gegeven (een 5) is duidelijk dat de commissie kennelijk van oordeel was dat de inschrijving van de VOF voldeed aan het Programma van Eisen en dus niet ongeldig hoefde worden te verklaard.

Na het bezwaar van X. tegen de gunningsbeslissing is Rijkswaterstaat tot de conclusie gekomen dat de door de beoordelingscommissie gehanteerd beoordelingssystematiek niet strookt met het antwoord op vraag 120 in de NvI. Op grond van het antwoord op die vraag kan op een kwaliteitscriterium nooit lager dan een zes worden gescoord indien aan alle eisen wordt voldaan. Voorts volgt daaruit dat een score lager dan een zes altijd moet leiden tot ongeldigheid van de betreffende inschrijving omdat dan niet aan de gestelde eisen wordt voldaan. Toepassing van het oorspronkelijke malussysteem is hiermee dus van de baan.

Rijkswaterstaat stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat door de beantwoording van vraag 120 NvI sprake is van een wezenlijke wijziging van de beoordelingssystematiek die noopt tot herbeoordeling, omdat de beoordelingscommissie geen kennis heeft genomen van het antwoord op vraag 120 NvI en dus haar beoordeling slechts heeft gebaseerd op de systematiek zoals is opgenomen in de aanbestedingsleidraad. Op grond van de beoordeling zelf heeft het er reeds alle schijn van dat de beoordelingscommissie onbekend was met de NvI. Daar komt bij dat Rijkswaterstaat gemotiveerd heeft gesteld dat het beoordelingsteam dat het beoordelingsteam desgevraagd te kennen heeft gegeven TenderNed net te hebben geraadpleegd voordat het is overgegaan tot de beoordeling van inschrijvingen.

Op grond van het voorgaande moet dan ook worden aangenomen dat inschrijvingen niet zijn beoordeeld volgens het – middels NvI – gewijzigde systeem, zodat daarop hoe dan ook geen gunningsbeslissing kan worden gebaseerd. Dat laat zich slechts oplossen door een herbeoordeling van alle inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie voor wat betreft het criterium ‘Technisch management’. Voor een verdergaande herbeoordeling bestaat geen aanleiding nu gesteld noch gebleken is dat de beoordeling van de andere (2) kwalitatieve criteria niet correct plaatsvond.

Gelet op het vorenstaande en nu niet in geschil is dat geen sprake is van een knock-out in de zin van bijlage H, komen de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter overweegt dat het wellicht beter was geweest indien Rijkswaterstaat zou hebben gewacht met het uitvoeren van de herbeoordeling totdat in dit kort geding een vonnis zou zijn gewezen, maar nu moet worden aangenomen dat – zoals Rijkswaterstaat onbetwistbaar heeft uitgevoerd – het resultaat ervan onbekend blijft tot het uitspreken van dit vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, valt het nadeel ervan (voor wie dan ook) niet in te zien. Daarmee handelde Rijkswaterstaat dan ook niet onrechtmatig

Conclusie

De vorderingen worden afgewezen.

(IBR, 9 september 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl