Ondeugdelijke gunningsbeslissing? (week 11)

In onderhavige zaak staat de vraag centraal of de Staat onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van een gunningsbeslissing, zoals MH stelt en de Staat betwist. Voor het antwoord op de vraag zijn de in jurisprudentie veelvuldig gehanteerde overwegingen ten aanzien van de beoordeling van kwalitatieve criteria van wezenlijk belang. Aan de voorzieningenrechter komt slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 18 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2107)

Feiten en omstandigheden

De Staat heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd met als doel het komen tot een contract met een leverancier voor de levering van verlichtingsarmaturen en lichtbronnen, het maken van lichtplannen, lichtberekeningen en advisering ten aanzien van de verlichting ten behoeve van de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.

Volgens het Beschrijvend document (hierna: BD) wordt de opdracht gegund op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Het subgunningscriterium kwaliteit bestaat uit drie onderdelen, te weten de casus verplichtingsplan en incidentafhandeling en social return.

Voor de casus verlichtingsplan is in de bijlage bij het BD een fictief kantoorproject in Singapore opgenomen. Voor de casus incidentafhandeling dienden inschrijvers hun aanpak in drie casussen te beschrijven.

Twee ondernemingen hebben zich ingeschreven op de aanbesteding, te weten MH en QC.

Per brief van 8 november 2018 heeft de Staat aan MH medegedeeld dat haar inschrijving niet de economisch meest voordelige inschrijving is en dat hij voornemens is om de opdracht te gunnen aan QC. De scores en subgunningscriterium kwaliteit zijn daarbij vermeld (hierna: de eerste gunningsbeslissing).

MH heeft met de Staat een gesprek gevoerd over haar bezwaren betreffende de motivering van de eerste gunningsbeslissing. De Staat heeft meegedeeld niet tot herbeoordeling over te gaan. MH heeft een kort geding aanhangig gemaakt.

Bij brief van 11 december 2018 heeft de Staat aan MH meegedeeld dat hij de eerste gunningsbeslissing intrekt en een nieuwe gunningsbeslissing neemt (hierna: de nieuwe gunningsbeslissing). De beslissing om te gunnen aan QC blijft daarbij ongewijzigd. De motiveringsgronden zijn anders verwoord dan bij de eerste gunningsbeslissing.

MH heeft dit kort geding gehandhaafd, maar wel haar eis gewijzigd. MH vordert primair intrekking van de nieuwe gunningsbeslissing en het overgaan tot heraanbesteding, subsidiair herbeoordeling en meer subsidiair het niet continueren van de aanbestedingsprocedure dan nadat de appeltermijn is verstreken.

Toetsingsvrijheid

De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de nieuwe gunningsbeslissing tot uitgangspunt heeft te gelden in dit kort geding.

MH heeft nagelaten om voorafgaand aan de mondelinge behandeling in dit geding zijn bezwaren tegen de nieuwe gunningsbeslissing te formuleren. MH heeft een eiswijziging aangekondigd en gesteld dat zij ter zitting zal toelichten dat ook deze gunningsbeslissing niet deugt. Het geven van die toelichting ter zitting is te laat, nu de Staat daaraan voorafgaand moet weten waar hij zich tegen moet verzetten. Ondanks het vooraanstaande is ter zitting gebleken dat de Staat wel in staat was om verweer te voeren. De vorderingen worden dus niet zonder meer afgewezen.

MH heeft ter zitting enkele procedurele punten, door haar genoemd in de dagvaarding, herhaald. De voorzieningenrechter kan deze punten niet rijmen met het feit dat volgens partijen in dit geding de nieuwe gunningsbeslissing tot uitgangspunt moet worden genomen.

Voor de kern van dit geschil zijn de in jurisprudentie veelvuldig gehanteerde overwegingen ten aanzien van de beoordeling van kwalitatieve criteria van wezenlijk belang. Aan de voorzieningenrechter komt slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. In beginsel is het niet aan de voorzieningenrechter om kwalificaties aan onderdelen van de inschrijving te verbinden, zoals voldoende of goed. Slechts in geval van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden, die met zich meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen van de rechter.

Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij in eigen bewoordingen aangeeft op welke wijze hij de verlangde kwaliteit gaat leveren, waardoor de inschrijver zich kan onderscheiden van de andere inschrijvers. Een aanbestedende dienst behoeft niet aan te geven wat nodig is om een maximale score te behalen, omdat hierdoor iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij de inschrijvers wordt geëcarteerd.

MH heeft onvoldoende onderbouwd dat de gunningsbeslissing niet deugt. MH betwist dat als gevolg van de gekozen armaturen een onrustig beeld ontstaat en dat naar haar mening de kwaliteit van de tekeningen de presentatie niet voldoende maar goed of zelfs uitstekend is. Van een aansluiting van het advies en ontwerp op de casus kan volgens MH geen sprake zijn, omdat sprake is van een fictieve casus. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom dat een verschil maakt.

MH kan niet in haar stelling worden gevolgd dat de Staat zo onzorgvuldig heeft gehandeld, dat een heraanbesteding of een herbeoordeling moet plaatsvinden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af.

(IBR, 13 maart 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl