Onduidelijk beoordelingskader leidt tot intrekking (week 36)

De vraag die in dit geding moet worden beantwoord is of de Staat tot het besluit heeft kunnen komen om de aanbestedingsprocedure in te trekken. De Staat stelt dat er een gegronde reden is om de procedure in te trekken: het beoordelingskader is naar zijn mening voor meerdere uitleg vatbaar. De voorzieningenrechter volgt de Staat in haar stelling en is van oordeel dat er sprake is van een formeel gebrek dat de intrekking van de aanbestedingsprocedure rechtvaardigt. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 16 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7242)

Feiten en omstandigheden

De Staat heeft een aanbesteding georganiseerd voor aanvullend archeologisch onderzoek en niet gesprongen explosieven (hierna: de aanbesteding of de aanbestedingsprocedure). Op de aanbesteding zijn twee inschrijvingen ontvangen: van de Combinatie en van A. (hierna ook tezamen: de inschrijvers). De Staat heeft na beoordeling van de inschrijvingen aan inschrijvers meegedeeld dat zij voornemens is de opdracht te gunnen aan A (hierna: de gunningsbeslissing). De Staat heeft een door de Combinatie tegen de gunningsbeslissing gemaakt bezwaar ongegrond verklaard, waarna de Combinatie kort geding I aanhangig heeft gemaakt.

Op 14 februari 2020 heeft de Staat bericht dat hij heeft besloten de aanbesteding te staken en in te trekken en de opdracht in gewijzigde vorm opnieuw aan te kondigen. De Combinatie en A hebben daarna respectievelijk kort geding II en III aanhangig gemaakt.

Beoordeling geschil

In de rechtspraak zijn een aantal omstandigheden geaccepteerd als gegronde redenen voor het intrekken van een aanbesteding. Een daarvan is de omstandigheid dat de procedure fundamentele gebreken bevat.

Indien de tabel wordt bezien zoals weergegeven in het bij de aanbestedingsstukken gevoegde FDF-bestand – en dus met een streep onder 1.1, ook in de laatste kolom – hoort de maximale kwaliteitswaarde van € 1.369.250, -- (enkel) bij subcriterium 1.1. Dat is hoe A het beoordelingskader stelt te hebben begrepen, waarbij volgens haar met subcriterium 1.2 dus geen kwaliteitswaarde valt te behalen, ondanks dat dit wel wordt uitgevraagd en met een cijfer wordt beoordeeld. Alle betrokken zijn het er echter over eens dat dit ongebruikelijk zou zijn. Zonder nadere toelichting, die in de aanbestedingsstukken ontbreekt, komt het ook zeer onlogisch voor om iets uit te vragen en met een cijfer te beoordelen, maar hier vervolgens geen waarde aan toe te kennen. Indien dat de bedoeling zou zijn geweest, had het voor de hand gelegen om dit in de stukken toe te lichten, direct vanaf het begin dan wel na de wijziging van criterium 2. Dat is echter niet geschied. Daar komt bij dat deze uitleg ook niet valt te rijmen met de mededeling in Bijlage D ‘Voor ieder subcriterium zal de commissie een waardering geven, waarmee het totaalbedrag van de kwaliteit van de aanbieding tot uiting wordt gebracht.’ Uit de verwijzing naar ‘het totaalbedrag van de kwaliteit’ kun je afleiden dat de waardering die voor ieder subcriterium wordt gegeven niet alleen op de toekenning van punten ziet, maar ook op het behalen van kwaliteitswaarde

Gelet op het vorenstaande zou een inschrijver naar voorshands oordeel evenzeer kunnen aannemen dat het niet zo kan zijn dat de gehele maximale kwaliteitswaarde wordt toegekend aan alleen subcriterium 1.1. Indien dan vervolgens de tabel aan een nader onderzoek wordt onderworpen zoals de Combinatie heeft gedaan (waarbij zij de tabel zo heeft afgedrukt dat deze in zijn geheel op 1 pagina terecht komt), dan blijkt dat de streep boven 1.2. niet doorloopt in de laatste kolom. Volgens de Combinatie is die streep in het verstrekte bestand dus slechts een toevallige paginascheiding. Indien de door de Combinatie op de hiervoor vermelde wijze afgedrukte tabel tot uitgangspunt wordt genomen, dan behoort de totale kwaliteitswaarde bij criterium 1 als geheel en niet slechts bij subcriterium 1.1. Zo kan bijlage D dus ook worden uitgelegd. De voorzieningenrechter volgt de Staat echter in zijn standpunt dat van een inschrijver niet kan worden verlangd dat deze die stappen zet om na te gaan hoe een tabel moet worden begrepen. Bovendien is ook deze uitleg in strijd met de hiervoor geciteerde zinsnede betreffende het toekennen van een waardering voor ieder subcriterium.

De Staat heeft beoordeeld aan de hand van het door hem beoogde beoordelingskader, dat echter hoe dan ook niet volgt uit (de tabel in) bijlage D, op welke van de twee door de inschrijvers genoemde wijzen deze ook wordt uitgelegd.

Daaropvolgend concludeert de Staat in de intrekkingsbrief dat het gestelde in Bijlage D voor meerdere uitleg vatbaar is, zodat het gebrek in de eerdere beoordeling niet kan worden gecorrigeerd door middel van een herbeoordeling. De voorzieningenrechter volgt de Staat in die conclusie. Het beoordelingskader is onduidelijk, dit kan op meer manieren, die elk in redelijkheid verdedigbaar zijn, worden uitgelegd en daarmee is sprake van een formeel gebrek dat de intrekking rechtvaardigt.

Conclusie

De vorderingen in de drie zaken worden afgewezen.

(IBR, 2 september 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl