Open house-procedure (week 4)

Door een aantal gemeentes tezamen is een open house-procedure gestart voor Jeugdhulp 2020 en Begeleiding Jeugdhulp 2020. De Zorgaanbieders zijn van mening dat er strijd is met art. 6c.1 Regeling Jeugdwet jo. 2:15 Jeugdwet en daarnaast er strijd is met art. 2:12 Jeugdwet. De Voorzieningenrechter oordeelt er een gebrek kleeft aan de open house inkoopprocedure in de zin dat een kortingsregeling is vastgesteld door de Gemeentes die in strijd is met de Jeugdwet. (Voorzieningenrechter Rechtbank Limburg 9 januari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:120)

Feiten en omstandigheden

De gemeentes Maastricht, Sittard-Geleen, Stein, Beek, Beekdalen, Brunssum, Heerlen, Landgraaf, Kerkrade, Meerssen, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Simpelveld, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal (hierna: de Gemeentes) financieren sinds 2015 de jeugdhulp op basis van outputgerichte bekostiging.

Vanaf 2019 kopen de Gemeentes jeugdhulp in via een zogenaamde ‘open house’-procedure. Met aanbieders die voldoen aan de kwaliteitseisen, wordt een Dienstverleningsovereenkomst Sociaal Domein Jeugd (hierna: DVO) gesloten. Tevens is er een Samenwerkingsovereenkomst Inkoop Sociaal Domein Zuid-Limburg (hierna: SOK). De Zorgaanbieders en de Gemeentes hebben gemeenschappelijk overleg met elkaar over de tarieven en de contracten. Dit overleg vindt plaats in/aan de Ontwikkeltafel.

In september 2019 is de open house-procedure voor Jeugdhulp 2020 en Begeleiding Jeugdhulp 2020 gestart. De inschrijfdatum is gesteld op 15 november 2019.

Ongeoorloofde aanvullende of afwijkende eis

De Zorgaanbieders stellen dat de Gemeentes met het Declaratieprotocol niet geoorloofde aanvullende of afwijkende eisen hanteren.

Met de tabel minimale gemiddelde inzet (voorheen geheten tabel minimale levering) wordt een kernelement van inspanningsgerichte bekostiging geïntroduceerd in de outputbekostiging: een afspraak over de levering van een specifiek product of dienst in een afgesproken tijdseenheid. In dat verband is relevant dat daar waar de DVO (of SOK) geen enkele concrete verplichting kent voor het kalenderjaar 2020 tot het registreren van uren, de regeling minimale gemiddelde inzet verplicht tot volledige urenregistratie omdat aan het niet behalen van het minimum een korting van het arrangementstarief wordt verbonden, zonder – en dat is niet weersproken door de Gemeentes – enige andere vorm van waardering van de gerealiseerde output. Er wordt kortom aan het eind van de dag afgerekend op uren. Alleen daarom al moet het ervoor worden gehouden dat de regeling minimale gemiddelde inzet, wat er ook zij van de noodzaak van monitoring en controle, in strijd is met het uitgangspunt dat de eenmaal gekozen uitvoeringsvariant consequent en consistent moet worden toegepast.

Niet weersproken is voorts de stelling van de Zorgaanbieders dat de DVO voldoende handvatten biedt voor een wel bij de outputvariant passende controle (zo nodig op cliëntniveau, vergelijkbaar met de wijze van controle door zorgverzekeraars). Daarbij is bovendien relevant dat de Zorgaanbieders betwisten dat nu reeds sprake is van volledige registratie van alle uren, zodat voorbij wordt gegaan aan de onvoldoende onderbouwde suggestie/opmerking van de Gemeentes dat aanbieders registeren hoeveel tijd ze besteden en kosten ze maken om hun verplichtingen na te komen, zoals iedere andere onderneming dat doet. De administratieve last wordt aldus onnodig verhoogd.

De regeling minimale gemiddelde inzet bij materiële controle is in strijd met art. 2:15 Jeugdwet en art. 6c.1 Regeling Jeugdwet.

Geen reële tarieven

De situatie dat door de individuele inschrijver / aanbieder in de open house-procedure niet meer onderhandeld kan worden over de vastgestelde arrangementen en bijbehorende tarieven doet zich hier voor. Tussen partijen zijn de arrangementstarieven voor 2020, zoals vastgelegd in de DVO, in dit kort geding geen onderwerp van het debat. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ervan uit moet gaan dat de arrangementstarieven voor 2020 reële prijzen zijn, als bedoeld in art. 2:12 Jeugdwet.

Het voorgaande betekent dat iedere prijs die betaald wordt voor een arrangement in afwijking van dat vastgestelde tarief in beginsel in strijd moet worden geacht met de eisen van art. 2:12 Jeugdwet, tenzij de Gemeentes aantonen, althans aannemelijk maken, dat wel sprake is van een reële prijs.

De Gemeentes hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde uitgangspunten de realiteit van de kostprijsbepalende facetten weergeven en evenmin is komen vast te staan dat consensus bestaat. Onvoldoende is vast te stellen dat de benchmark bestaat uit het gemiddelde van de als zodanig niet betwiste werkelijke cijfers van de aanbieders en om daarom uit te mogen gaan van de juistheid van de aangeleverde data.

De fictieve tarieven en de daarop gebaseerde minimaal gemiddeld inzet die uit het Declaratieprotocol voortvloeien zijn in strijd met de eisen van art. 2:12 Jeugdwet. Niet aannemelijk is geworden dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de jeugdhulp.

Conclusie

Aan de open house inkoopprocedure voor jeugdhulp in Zuid Limburg kleeft een gebrek in de zin dat een kortingsregeling is vastgesteld door de Gemeentes die in strijd is met de Jeugdwet. De vordering zal worden toegewezen.

(IBR, 22 januari 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl