Reële tarieven (week 45)

De Gemeente bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de door haar vastgestelde tarieven voor behandeling, diagnostiek en verblijf E en F disproportioneel zijn en niet voldoen aan de eisen die de Wet Jeugdhulp stelt. (Hof Den Bosch 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4534)

Feiten en omstandigheden

De Gemeente Tilburg (hierna:  de Gemeente) is op 21 juli 2017 een Europese openbare aanbestedingsprocedure gestart voor de inkoop van ‘Hoogspecialistische Jeugdhulp’ in segment 3 voor het jaar 2018 (en optioneel 2019 en 2020) ten behoeve van de Regio Hart van Brabant.

Het jaar 2018 geldt als een overgangsjaar. Voorafgaand aan het uitschrijven van voornoemde aanbesteding heeft de Gemeente oriënterend overleg gehad met Stichting GGZ Breburg Groep (hierna: Breburg) en andere jeugd-GGZ aanbieders over de hoogte van de tarieven in het geval van een nieuwe wijze van bekostiging per (in beginsel) 2019 via arrangementen.

De aanbesteding is vormgegeven in het zogenaamde ‘Zeeuwse Model’. Kort samengevat houdt de aanbesteding in dat alle zorgaanbieders worden gecontracteerd die (i) voldoen aan de in de aanbesteding gestelde minimumkwaliteitseisen, en (ii) tegen de in de aanbesteding vastgestelde – niet onderhandelbare – tarieven voor 2018 (iii) de door de Gemeente uitgevraagde Hoogspecialistische Jeugdhulp willen verlenen. De overeenkomst biedt géén afnamegarantie voor de opdrachtnemers.

Partijen zijn het erover eens dat de Gemeente, ook al is een open systeem als in onderhavige aanbesteding geen overheidsopdracht in de zin van de Europese aanbestedingsrichtlijnen, zich bij deze inkoop van Hoogspecialistische Jeugdzorg als gevolg van het bepaalde in het aanbestedingsdocument dient te houden aan de aanbestedingsrechtelijke beginselen van transparantie, gelijke behandeling en proportionaliteit.

Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de Gemeente bij de inkoop van Jeugdzorg (onder meer op grond van het bepaalde in art. 3:14 BW) gehouden is de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.

Kort samengevat vloeit uit de hiervoor genoemde regelingen en beginselen voort dat de Gemeente volgens doel, aard en strekking van de Jeugdwet reële tarieven voor de in te kopen diensten moet vaststellen, die niet disproportioneel zijn en gebaseerd op zorgvuldig onderzoek. Ook daarover verschillen partijen niet van mening.

Reële tarieven

Het Hof stelt dat de stelling van de Gemeente dat zij op basis van het bepaalde in artikel 2.12 van de Jeugdwet moet waarborgen dat er een goede verhouding bestaat tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, als ook dat zij (ingevolge de toelichting op dat artikel) een inschatting dient te maken van de reële kostprijs en dat zij er daarbij niet voor hoeft te zorgen dat dit tarief voor alle potentiële aanbieders kostendekkend is juist is. De genoemde toelichting bepaalt verder dat het ter beoordeling van de Gemeente is welke invloeden zij meeweegt bij die inschatting. Dat laat echter onverlet dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, van de Gemeente verlangen dat zij inzicht geeft in haar bevindingen en afwegingen. Dat geldt temeer nu de Gemeente ervoor heeft gekozen een aanbesteding te organiseren waarbij zij vaste, niet onderhandelbare prijzen hanteert, waarvoor een bepaald type aanbieders (instellingen als Breburg) stellen de uitgevraagde zorg voor die tarieven niet op het vereiste kwalitatieve niveau te kunnen leveren.

Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Gemeente in eerste aanleg haar verweer, dat zij bij de prijsvaststelling zorgvuldig heeft gehandeld en dat de door haar geboden prijzen reële prijzen zijn als bedoeld in de Jeugdwet, onvoldoende heeft onderbouwd.

De Jeugdwet verlangt van de Gemeente de waarborg dat er een goede verhouding bestaat tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, als ook dat de wettelijke garantie op continuïteit van hulp is verzekerd en dat de daarvoor benodigde infrastructuur behouden blijft. De Gemeente dient zich daarbij niet alleen te verdiepen in arbeidsvoorwaarden en functiemix, maar ook en vooral in de vraag of haar tarieven een kostendekkende levering van de gevraagde diensten mogelijk maakt. In dat kader mag van de Gemeente worden verwacht dat zij behoorlijk onderzoek verricht naar de realiteit van kostprijzen en dat zij, waar zij bij haar berekening gebruik maakt van het model uit de VNG handreiking, afwijkingen daarvan kan verklaren en verklaart, als ook met welke concrete omstandigheden zij bij haar berekeningen rekening heeft gehouden.

Slotsom

De slotsom van al het voorgaande is dat Breburg naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt en door de Gemeente onvoldoende (onderbouwd) is weerlegd dat bovenvermelde vier tarieven disproportioneel zijn als bedoeld in artikel 1.10 Aw omdat de tarieven niet in redelijke verhouding staan tot de te verlenen diensten. De grieven falen.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

(IBR, 7 november 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl