Schade door beoordelingsfout (week 19)

Met zijn hogere voorziening verzoekt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 april 2016, European Dynamics Luxembourg e.a./EUIPO (T‑556/11). (HvJEU 3 mei 2018, C-376/16, ECLI:EU:C:2018:299)

Beoordelingsfout

Het Gerecht heeft in het bestreden arrest de redenen heeft uiteengezet waarom het van oordeel was dat de vastgestelde kennelijke beoordelingsfouten een invloed konden hebben gehad op de betrokken aanbestedingsprocedure en dus de nietigverklaring rechtvaardigden van het besluit tot afwijzing van de offerte.

Het is juist dat het Gerecht niet voor elk van deze fouten specifiek is nagegaan wat de invloed ervan kon zijn geweest op het resultaat van de procedure. De controle van de Unierechter impliceert evenwel in beginsel niet dat hij verplicht is de afwezigheid na te gaan van de invloed van een kennelijke beoordelingsfout in verband met de beoordeling van een offerte op de rangschikking van deze offerte en uiteindelijk dus op het besluit tot gunning, wanneer de aanbestedende dienst over die afwezigheid van invloed geen enkele verduidelijking heeft gegeven.

Het is immers de rekwirant die dient te verduidelijken en te bewijzen dat het besluit tot afwijzing van de offerte niet gunstiger had kunnen zijn voor European Dynamics Luxembourg e.a. zonder de voornoemde foute.

Enerzijds heeft het Gerecht nergens een onderscheid gemaakt tussen de verschillende kennelijke beoordelingsfouten die het heeft vastgesteld in het bestreden arrest en, anderzijds heeft het EUIPO noch verduidelijkt, noch bewezen dat in casu de vaststelling van het bestaan van de kennelijke beoordelingsfout in het kader van zijn beoordeling van criterium nr. 1, subcriterium nr. 1.4, punt 1.4.4.10 van het bestek niet op dezelfde manier als alle andere vastgestelde kennelijke beoordelingsfouten, individueel beschouwd, de grondslag vormt van de nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de offerte.

Zelfs in de veronderstelling dat alle vaststellingen aangaande de kennelijke beoordelingsfouten die in het kader van de onderhavige hogere voorziening worden betwist, als rechtens onjuist moeten worden beschouwd – zoals het EUIPO betoogt –, kan een dergelijke vaststelling in die omstandigheden in elk geval niet leiden tot de vernietiging van die beslissing van het Gerecht, zodat het tweede onderdeel van het tweede middel niet kan slagen en dus moet worden afgewezen.

Schade

EUIPO voert aan dat het bestaan van een causaal verband tussen de door het Gerecht vastgestelde kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot het eerste gunningscriterium, te weten de kwaliteitscriteria, en de door European Dynamics Luxembourg geleden schade die voortvloeit uit het verlies van een kans op gunning van de betrokken opdracht in het bestreden arrest niet is aangetoond en evenmin is gemotiveerd.

Dit argument moet in de omstandigheden van het onderhavige geval gegrond worden geacht.

Aangezien niet is voldaan aan een van de noodzakelijke voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, volgt hieruit dat het Gerecht het verzoek van European Dynamics Luxembourg e.a. om schadevergoeding niet had mogen toewijzen.

Het vierde middel van het EUIPO is derhalve gegrond.

Gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest
Uit al deze overwegingen volgt dat het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in zoverre het Gerecht het derde onderdeel van het derde middel van het in eerste aanleg ingestelde beroep inzake de niet-uitsluiting van het consortium Drasis, heeft toegewezen.

Beroep bij het Gerecht

Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

Dit is het geval in de onderhavige zaak. Het door European Dynamics Luxembourg e.a. in het kader van dit beroep ingediende verzoek om schadevergoeding, dat strekt tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden wegens het verlies van een kans voor European Dynamics Luxembourg op gunning van de raamovereenkomst, minstens als derde contractant in het cascadesysteem, dient bijgevolg te worden onderzocht.

In ieder geval staat het volgens vaste rechtspraak van het Hof aan de partij die zich op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie beroept, om overtuigend bewijs over te leggen betreffende het bestaan en de omvang van de gestelde schade, alsmede betreffende het bestaan van een voldoende rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de gedraging van de betrokken instelling en de gestelde schade.

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat bij de lezing van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift van European Dynamics Luxembourg e.a. blijkt dat dit kennelijk niet voldoet aan de door die rechtspraak gestelde eisen.

Hoewel het juist is dat European Dynamics Luxembourg e.a. hebben aangevoerd dat de correcte toepassing van de aanbestedingsprocedure zou hebben geleid tot een betere rangschikking van de offerte van European Dynamics Luxembourg en dat aan deze partij zodoende een van de raamovereenkomsten zou zijn gegund, hebben zij evenwel niet aangetoond of en in welke mate, gegeven de feiten van de onderhavige zaak en bij gebreke van fouten van het EUIPO, European Dynamics Luxembourg beter zou zijn gerangschikt, dan wel de betrokken opdracht wél zou hebben verkregen.

Ook wat het causaal verband betreft tussen de door het beoordelingscomité gemaakte fouten en de beweerdelijk geleden schade, hebben European Dynamics Luxembourg e.a. zich beperkt tot de eenvoudige bewering dat van een dergelijk verband sprake is, zonder echter te preciseren waarin dat verband bestaat.

European Dynamics Luxembourg e.a. hebben dus noch het daadwerkelijke bestaan van schade, noch het causale verband tussen de schade en de aan het EUIPO verweten gedraging aangetoond.

In deze omstandigheden dient de vordering tot schadevergoeding van European Dynamics Luxembourg e.a. te worden afgewezen.

(IBR, 9 mei 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu