Expertnetwerk Schaduwprijzen - verslag 16 oktober 2018

Toon pagina in menu

Om marktpartijen in beweging te krijgen, is het belangrijk dat CO2-reductie voldoende gewicht krijgt in aanbestedingen. Zodat het voor hen meerwaarde heeft om te investeren in de benodigde berekeningen. Dat was de belangrijkste conclusie van de vierde bijeenkomst van het expertnetwerk Schaduwprijzen op 16 oktober 2018. Deze conclusie volgde uit 2 presentaties met praktische tips om CO2-beprijzing toe te passen in inkoopstrategieën. De lessen uit deze presentaties werden deze laatste sessie samengevoegd met alle input van voorgaande bijeenkomsten en verwerkt in concrete aanbevelingen voor de taskforce CO2-schaduwprijzen.

Stuur meer op kwaliteit, minder op prijs

In de eerste presentatie benadrukte Godard Croon, consultant bij Copper8, dat CO2-reductie voldoende gewicht moet krijgen in de aanbesteding. Pas als partijen op dit punt kunnen winnen of verliezen, komen ze met echt innovatieve oplossingen. Daarom moet ook duidelijk zijn dat je toezeggingen controleert en handhaaft, bijvoorbeeld met boetes. Nu geeft de prijs uiteindelijk vaak de doorslag. Een prijsvechter kan makkelijk zo laag gaan zitten dat maatschappelijke waarde wegvalt. Dat kun je oplossen door CO2-reductie bijvoorbeeld mee te nemen als gunningscriterium in een BPKV-aanbesteding (beste prijs-kwaliteitverhouding). Laat daarbij de prijs maximaal 30% bepalen. Kijk ook naar de verhouding tussen CO2-reductie en andere kwaliteitsaspecten. Veel verschillende aspecten krijgen elk afzonderlijk vaak weinig gewicht. U zou zelfs volledig op kwaliteit kunnen sturen en voor de prijs alleen een plafondbedrag instellen om te zorgen dat u binnen het budget blijft.

Haal informatie diep uit de keten

Een alternatief zou zijn om de CO2-kosten op te tellen bij de aanbestedingsprijs. Maar met realistische CO2-prijzen levert dat in de praktijk vaak te weinig impact op. Om innovatie te stimuleren zou je dan dus eigenlijk met een veel hogere prijs moeten rekenen. Daarnaast is het belangrijk om duidelijk te hebben welke scope je meeneemt bij het berekenen van de CO2-impact. In de infra is bijvoorbeeld gebleken dat meenemen van scope 3-emissies – de uitstoot die veroorzaakt wordt door toeleveranciers – tot heel andere uitkomsten kan leiden. Ga daarom na hoe diep in de keten je informatie kunt ophalen en wijs in ieder geval hotspots aan.

Breng de markt in beweging

Ook Henk van Dop, sales director bij EcoChain Technologies, gaf in de tweede presentatie aan dat het gunningsvoordeel groot genoeg moet zijn om te zorgen dat marktpartijen zelf aan milieubelasting gaan rekenen. Iets vergelijkbaars geldt voor regelgeving. Zo blijkt dat eisen aan de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) pas effect hebben met een maximum schaduwprijs van 1 euro per vierkante meter vloeroppervlak. Om innovatie te stimuleren, zou dat bijvoorbeeld 0,70 euro moeten zijn. De overheid moet een voortrekkersrol spelen door regelgeving en aanbestedingen zo in te richten dat de markt hiervoor in beweging komt. Het moet meerwaarde hebben voor organisaties om te investeren in de benodigde berekeningen.

Kies één gebruiksvriendelijke methodiek

Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om voor de hele overheid één gebruiksvriendelijke methodiek te kiezen. Daarbij ligt het voor de hand om uit te gaan van een tool die nu al succesvol toegepast wordt, zoals DuboCalc uit de Grond-, Weg- en Waterbouw (GWW). Daar kun je een blueprint van maken en die aanpassen voor andere branches. Producenten kunnen zelf gegevens aanleveren voor de bijbehorende database met materialen, vergelijkbaar met de Nationale Milieudatabase (NMD). Stimuleer partijen om blijvend te innoveren en hun eigen innovaties steeds te meten. Rijkswaterstaat doet dat bijvoorbeeld door goede branchegemiddeldes te berekenen en daar met referentiewaarden steeds net onder te gaan zitten. Sta bijvoorbeeld ook toe om producten slechts tijdelijk in de database te publiceren, zodat goede partijen niet bang hoeven te zijn dat ze het branchegemiddelde omlaag trekken of geheimen prijsgeven aan concurrenten. Zorg tot slot altijd voor goede toetsingsprotocollen, zodat gegevens betrouwbaar zijn.

GWW: pas CO2-beprijzing vaker en sterker toe

Na de twee expertpresentaties was er deze laatste bijeenkomst veel tijd om alle input uit deze en eerdere sessies te verwerken in concrete aanbevelingen voor de taskforce CO2-schaduwprijzen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat - in het netwerk vertegenwoordigd door Reinier Guijt. Long Lam en Esther Eggink van Ecofys/Navigant hadden daarvoor voorwerk gedaan en gaven een aanzet. De eerste aanbeveling richt zich op de GWW. In deze sector is al veel kennis van CO2-beprijzing, maar bijvoorbeeld gemeenten maken daar nog geen gebruik van. Het advies is dus om schaduwprijzen bij meer projecten grootschalig toe te passen. Voor meer impact is experimenteren met hogere CO2-prijzen en meer gunningsvoordeel gewenst. Voor kleinere projecten kan het handig zijn om niet alles helemaal door te rekenen, maar te focussen op de meest relevante materialen.

Neem andere milieukosten mee

Uit het publiek kwam de suggestie om expliciet te benoemen dat de focus nu op CO2 ligt om klimaatverandering tegen te gaan. Andere milieukosten en bijvoorbeeld sociale aspecten krijgen daardoor minder aandacht. Anderzijds moet je om de CO2-voetafdruk te berekenen toch al complete levenscyclusanalyses (LCA) doen. Dan kun je net zo goed gelijk met MKI-waardes (MilieuKostenIndicator) werken. Nu weegt CO2 zwaarder dan overige factoren. Als in de toekomst een ander probleem meer aandacht verdient, hoef je dan alleen de wegingen aan te passen.

Start pilots bij meest veelbelovende categorieën

De overige aanbevelingen richten zich op toepassing van CO2-beprijzing buiten GWW. Het belangrijkste advies is om op alle niveaus van de overheid pilots te starten bij de meest veelbelovende categorieën. Hoe bepalen overheidsorganisaties welke categorieën dat zijn? In de vorige sessie en op het MVI-congres van 3 oktober 2018 zijn SWOT-analyses gedaan van 5 categorieën met veel potentie voor CO2-reductie: catering, energie, dienstvoertuigen, kantoormeubilair en bedrijfskleding. Alle vijf de categorieën bleken daarbij geschikt voor CO2-beprijzing. Dit kan dus een eerste selectie zijn. Bovendien volgen uit de analyses een aantal factoren om rekening mee te houden, zoals de kostenimpact van CO2-beprijzing en het milieubewustzijn bij toeleveranciers. Belangrijk is ook hoeveel draagvlak er is. En vooral: of degene die verantwoordelijk is voor de categorie passie heeft voor duurzaamheid en anderen daarin mee kan nemen.

Verduurzaam samen

Dat laatste komt ook terug in andere aanbevelingen: begin pilots bij welwillende overheden en zorg voor een trekker met mandaat en voldoende resources – tijd, geld en ondersteuning. Begin bijvoorbeeld bij gemeenten die het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen hebben ondertekend en CO2-reductie in hun actieplan hebben staan. Daarnaast is het zaak om richtlijnen en handleidingen op te stellen voor de pilots. Bijvoorbeeld op het gebied van prijs, scope en vorm, en inclusief planning: tijdspad plus verwachtingen. Stel einddoelen en maak die meetbaar. Neem alle aspecten van CO2-beprijzing mee, zodat je alles kunt evalueren. Laat organisaties lessen en gegevens delen. Dan hoeven gemeenten bijvoorbeeld niet allemaal het wiel opnieuw uit te vinden. Verduurzamen doen we samen.

Programma Klimaatneutraal en Circulair Inkopen 

Het Leernetwerk Duurzame Energie is onderdeel van het programma Klimaatneutraal en Circulair Inkopen, dat gefinancierd wordt uit de Klimaatgelden uit het regeerakkoord.
Klimaatenveloppe: impuls klimaatneutraal en circulair inkopen