Toepassing beginselen (week 15)

In deze prejudiciële beslissing beoordeelt het Hof of richtlijn 2014/24 respectievelijk de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie van toepassing zijn op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst met een bedrijfsvoorzieningskas die belast is met het beheer van bijdragen voor de sociale verzekering van werknemers.

Feiten en omstandigheden

Het Verwaltungsgerichtshof heeft het Hof verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de volgende vraag:

“Zijn de bepalingen van richtlijn 2014/24 [...] respectievelijk de artikelen 49 en 56 VWEU en de daaruit voor de plaatsing van overheidsopdrachten voortvloeiende beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie van toepassing op de sluiting van overeenkomsten tussen aanbestedende diensten en bedrijfsvoorzieningskassen betreffende het beheer en de belegging van ontslagvergoedingsbijdragen wanneer voor de sluiting van de overeenkomst en derhalve de keuze van de voorzieningskas de goedkeuring van de werknemers of van hun vertegenwoordiging is vereist en de aanbestedende dienst derhalve niet autonoom daartoe kan overgaan?”.

Fundamentele beginselen

De vastgestelde drempelwaarde van richtlijn 2014/24 bedraagt ingevolge art. 4, onder c, van deze richtlijn, €209.000,-. De geraamde waarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht bedraagt €174.000,-. Aldus is deze richtlijn niet van toepassing op deze opdracht. Echter, de verwijzende rechter is van mening dat het Hof wel bevoegd is om uitspraak te doen.

De uitlegging van de bepalingen van een handeling van de Unie in situaties die niet binnen de werkingssfeer ervan vallen, is gerechtvaardigd indien deze bepalingen door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties. Op grond van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, blijkt dat in het hoofdgeding geen rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing is gemaakt naar richtlijn 2014/24. De richtlijn is niet van toepassing.  

Indien de betrokken opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont, dient wel rekening gehouden te worden met de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag, inzonderheid de artikelen 49 en 56 VWEU, en met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, alsook de transparantieverplichting, die daaruit voortvloeien. Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of van een dergelijk belang sprake is. In casu is de verwijzende rechter hiertoe van oordeel.

De gestelde vraag dient in het licht van de fundamentele regels en de algemene beginselen van het Verdrag, inzonderheid de artikelen 49 en 56 VWEU, te worden beantwoord. In casu is in het bijzonder van belang of de uitoefening van een medebeslissingsrecht door een ondernemingsraad ingevolge §9, lid 1, BMSVG of, wanneer er geen ondernemingsraad is, de uitoefening van een recht van verzet door een derde van de werknemers overeenkomstig §9, lid 2, van die wet, ertoe kan leiden dat de sluiting van een aansluitingsovereenkomst zoals aan de orde in het hoofdgeding niet onderworpen is aan de fundamentele regels van het Verdrag die van toepassing zijn op overheidsopdrachten.

Het medebeslissingsrecht respectievelijk het recht op verzet door een derde van de werknemers, vormen twee uitdrukkingen van het grondrecht op collectieve onderhandelingen. Het Hof heeft geoordeeld dat het grondrecht op collectieve onderhandelingen een werkgever niet automatisch kan ontheffen van de verplichting tot inachtneming van de uit het Verdrag voortvloeiende regels inzake overheidsopdrachten. De omstandigheid dat de gunning van een opdracht op grond van een collectieve overeenkomst gebeurt, heeft op zichzelf niet tot gevolg dat deze niet binnen de werkingssfeer van de regels inzake overheidsopdrachten valt.

In casu blijkt uit §9 en §11 BMSVG dat de aansluitingsovereenkomst wordt gesloten tussen de werkgever en de voorzieningskas, wat veronderstelt dat de werkgever een dergelijke invloed op de keuze van deze voorzieningskas uitoefent. De uitoefening van een van de in §9  BMSVG bedoelde rechten op collectieve onderhandelingen kan een aanbestedende dienst zoals die in het hoofdgeding niet ontheffen van zijn verplichting tot inachtneming van de fundamentele regels van het Verdrag.

Bovendien eist de transparantieverplichting van de aanbestedende dienst een passende mate van openbaarheid waardoor mededinging kan plaatsvinden en waardoor de onpartijdigheid van de gunningsprocedure kan worden gecontroleerd. De regels inzake de gunningsprocedure moeten op een transparante wijze worden toegepast ten aanzien van alle inschrijvers.

Prejudiciële beslissing

De artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsook de transparantieverplichting moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst tussen een werkgever – een publiekrechtelijke instelling – en een bedrijfsvoorzieningskas betreffende het beheer en de belegging van bijdragen voor ontslagvergoedingen voor de werknemers van deze werkgever, ook al hangt de sluiting van een dergelijke overeenkomst niet uitsluitend af van de wil van de werkgever, maar is daarvoor de goedkeuring van de werknemers dan wel de ondernemingsraad vereist.

(IBR, 10 april 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu