Uitleg raamovereenkomst (week 41)

Tussen partijen is een geschil ontstaan over het recht op vergoedingen gegrond op (de uitleg van) bepalingen in de na de aanbesteding gesloten raamovereenkomst leerlingenvervoer. Volgens Citax mocht zij er op grond van de aanbestedingsstukken in haar aanbieding vanuit gaan dat er enkel in incidentele, noodzakelijke gevallen combinatiebeperkingen zouden worden opgelegd door de gemeente. Ook mocht Citax erop vertrouwen dat zij de leerlingen bij een door haar te bepalen opstapplaats kon ophalen. Nu de gemeente van Citax meer dan incidentele, noodzakelijke combinatiebeperkingen heeft verlangd en het Citax niet heeft toegestaan om voor die leerlingen gebruik te maken van opstapplaatsen, dient de gemeente de hiervoor door Citax gemaakte meerkosten te vergoeden. (Rechtbank Gelderland 19 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4476)

Feiten en omstandigheden

De gemeente Neder-Betuwe (hierna: de gemeente) heeft tezamen met de gemeenten Buren, Geldermalsen en Neerijnen in 2015 een Europese openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor het leerlingenvervoer binnen die gemeenten.

Citax heeft de opdracht voor beide percelen gegund gekregen. Vervolgens heeft Citax met elk van de vier gemeenten een afzonderlijke overeenkomst gesloten.

Opstapplaatsen

Naar het oordeel van de rechtbank zal een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver de aanbestedingsstukken aldus begrijpen dat de gemeente uiteindelijk beslist of er wel of geen gebruik zal worden maken van opstapplaatsen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat Citax er rekening mee had moeten houden dat er leerlingen zijn die thuis moeten worden opgehaald en niet via een opstapplaats kunnen worden vervoerd. De extra kosten die het vervallen van opstapplaatsen voor leerlingen met een combinatiebeperking met zich heeft gebracht, kan Citax dan ook niet verhalen op de gemeente.

Combinatiebeperkingen

Dat kleinschalig vervoer ook het uitgangspunt is geweest in de aanbestedingsprocedure, kan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate worden afgeleid uit de aanbestedingsstukken. Een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver zal de aanbestedingsstukken dan ook aldus begrijpen dat kleinschalig vervoer voor de gemeenten uitgangspunt was.

Citax stelt in de dagvaarding dat zij een vergelijking heeft gemaakt tussen de gegevens uit het bestek, de situatie voor de herfstvakantie en de situatie na de herfstvakantie voor wat betreft het leerlingenvervoer naar Tiel. Hieruit blijkt volgens haar onder meer dat in plaats van dat op 9 van de 45 leerlingen de combinatiebeperking 'kleinschalig' was gelegd, er 14 van de 39 leerlingen kleinschalig dienden te worden vervoerd. Citax hoefde hier geen rekening mee te houden.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, valt dit naar het oordeel van de rechtbank echter binnen de marge waarmee een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver rekening had kunnen en moeten houden.

Met Citax is de rechtbank van oordeel dat een inschrijver op basis van het Programma van Eisen alleen rekening diende te houden met incidentele, noodzakelijke individuele combinatiebeperkingen. Tussen partijen is in geschil wat in dit verband dient te worden verstaan onder 'noodzakelijk'.

Wat de rechtbank betreft, kan de vraag of in alle gevallen sprake is geweest van de noodzaak tot individueel vervoer in het midden blijven nu het hier naar het oordeel van de rechtbank niet meer gaat om een incidenteel geval dat op grond van de aanbestedingsstukken voor rekening en risico van de vervoerder dient te komen. Daarbij verwijst de rechtbank nog naar voorschrift 3.9A van de Gids Proportionaliteit, waarin is bepaald dat de aanbestedende dienst het risico alloceert bij de partij die het risico het best kan beheersen of beïnvloeden. In de toelichting bij dit voorschrift wordt nog gewezen op het feit dat het bij een inschrijver neerleggen van een niet of nauwelijks voorzienbaar risico dat zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet alsmede van een risico met in potentie effecten die de continuïteit van de leverancier kunnen of zullen ondermijnen eerder disproportioneel is dan een redelijkerwijs voorzienbaar risico met geringe of onvoorzienbare effecten.

Als het standpunt van de gemeente zou worden gevolgd, valt in feite alles onder het ondernemersrisico en zou dat in extremis kunnen betekenen dat een inschrijver rekening ermee dient te houden dat 40 leerlingen in 40 taxi's achter elkaar aan naar school worden gebracht. Dat gaat in alle redelijkheid te ver.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gemeente de meerkosten van de niet-incidentele, noodzakelijke individuele combinatiebeperkingen aan Citax dient te vergoeden. Ter comparitie heeft Citax de praktische suggestie gedaan dat de rechtbank eerst een oordeel geeft over de vraag óf Citax recht heeft op bijbetaling. Wanneer daarover duidelijkheid bestaat, kunnen partijen het wellicht ook in alle redelijkheid eens worden over een bedrag dat eventueel door de gemeente zou moeten worden betaald, aldus Citax. De gemeente heeft hiertegen geen bezwaren geuit.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

(IBR, 11 oktober 2017)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl