Uitleg van de overeenkomst (week 44)

In casu is een contractuele invulling gegeven aan het begrip gevolgschade. Dit begrip wordt nader uitgewerkt in de exoneratieclausule, waardoor bij de invulling van dit begrip niet het wettelijke criterium kan worden toegepast. Naar oordeel van het hof dient het beroep op het contra-proferentem-beginsel te worden verworpen. Het beroep op het exoneratiebeding door de Belastingdienst acht het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Als laatste is het hof van oordeel dat er wettelijke rente verschuldigd is ten aanzien van de betwiste facturen voor zover deze nog niet zijn voldaan en de effectiviteitskorting niet correct door de Belastingdienst is berekend. (Gerechtshof Den Haag 24 september 2010, nr. 200.241.283/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:2568)

Feiten en omstandigheden

Op 22 juli 2014 heeft de Belastingdienst de opdracht naar aanleiding van een openbare Europese aanbesteding (hierna: de aanbesteding) aan BrightContract Technology B.V. (hierna: BrightContract) gegund. De Belastingdienst en BrightContract hebben op 24 september 2018 een overeenkomst tot ‘het leveren van diensten ten behoeve van de voortbrenging, beheer, onderhoud en exploitatie door opdrachtgever van het platform Contract Center Infrastructuur (hierna: het CCI-platform) gesloten (hierna: de overeenkomst), waarin onder meer een bepaling is opgenomen omtrent gevolgschade (art. 16).

Exoneratieclausule

Met grief 1 komt BrightContract op tegen de afwijzing van de schadeposten die volgens de rechtbank vallen onder het begrip gevolgschade als bedoeld in art. 16.10 van de overeenkomst (hierna: de exoneratieclausule).

In dit geval is een contractuele invulling gegeven aan het begrip gevolgschade. In de exoneratieclausule is het begrip gevolgschade nader gedefinieerd als winst- en omzetderving en kosten gemaakt ter beperking of vaststelling van gevolgschade. Aan het feit dat het woord ‘gevolgschade’ in de tekst is opgenomen, kan niet de conclusie worden verbonden dat partijen hebben beoogd alleen onvoorzienbare, of verder verwijderde winst- en omzetderving en kosten ter beperking of vaststelling hiervan uit te sluiten.

Het beroep van BrightContract op het contra-proferentem-beginsel wordt verworpen. Naar oordeel van het hof is geen sprake van enige onduidelijkheid. Grief 1 faalt.

Met grief 2 betoogt BrightContract dat het beroep van de Belastingdienst op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Hierbij is van belang dat toen de Belastingdienst constateerde dat hij mogelijk wel in strijd met de Overeenkomst had gehandeld, heeft hij voor toekomstige diensten een offerte aan BrightContact gevraagd. Deze handelwijze duidt er naar het oordeel van het hof op dat de Belastingdienst de overeenkomst heeft willen nakomen. Ook grief 2 faalt.

Facturen

Met grief 3 wijst BrightContract er (terecht) op dat de rechtbank heeft nagelaten om te oordelen over de vordering tot toewijzing van de wettelijke handelsrente over het uiteindelijk door de Belastingdienst voldane bedrag van de facturen.

In de overeenkomst is een regeling opgenomen dat indien de Belastingdienst de juistheid van een verzonden factuur betwist, dat hij de tijd en ruimte heeft om de verschuldigdheid van die facturen te onderzoeken. Nu de Belastingdienst na een jaar nog geen gebruik heeft gemaakt van deze regeling, is het hof van oordeel dat de Belastingdienst zich niet meer op deze regeling uit de overeenkomst kan beroepen en dat de Belastingdienst de facturen had behoren te betalen binnen de betalingstermijn van 30 dagen. Voor zover hij dat ten onrechte heeft nagelaten, is hij de wettelijke rente ex art. 6:119b BW verschuldigd. Grief 3 slaagt.

Met grief 5 bestrijdt BrightContract het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst op grond van de overeenkomst bevoegd was op de facturen een effectiviteitskorting van 25% respectievelijk 10% in te houden.

Het hof is van oordeel dat de uitleg dat de belastingdienst een korting van 10% respectievelijk 25% mocht toepassen over de geheel factuur die (mede) ziet op de periode waarin sprake was van een tekortkoming, niet de bedoeling van partijen kan zijn geweest. De door de Belastingdienst gehanteerde berekening kan niet worden gebaseerd op de overeenkomst. De Belastingdienst heeft volgens het hof onvoldoende onderbouwd dat hij bevoegd was om de effectiviteitskorting tot de door hem gestelde bedragen op de facturen in mindering te brengen. Grief 5 slaagt.

Met grief 6 bestrijdt BrightContract het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst de kosten, die hij stelt te hebben moeten maken voor het inhuren van een extern lid van het CCI-team, ter vervanging van de niet on site aanwezige CCI-specialisten van BrightContract, mocht verrekenen met de factuur.

Het hof oordeelt als volgt. De Belastingdienst heeft niet betwist dat zich geen risico’s hebben voorgedaan op het CCI-platform. Ook heeft hij niet nader onderbouwd waarom de on site aanwezigheid van een externe CCI-specialist dan toch noodzakelijk was, en dat de ingehuurde CCI-specialist werkzaamheden heeft uitgevoerd die anders door CCI-specialisten van BrightContract hadden moeten worden verricht. Causaal verband tussen die tekortkoming en de kosten voor het inschakelen van een externe CCI-specialist is niet komen vast te staan. Grief 6 slaagt.

(IBR, 30 oktober 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl