Uitleg verlengingsoptie (week 24)

Het geschil gaat over de uitleg van de in de tussen partijen gesloten verlengingsovereenkomst neergelegde verlengingsoptie. Kern van het geschil is of de overeenkomst op grond van artikel 11, lid 2 wordt verlengd als alleen Avalex dat wenst en Twence niet. (Rechtbank Den Haag 30 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6510)

Feiten en omstandigheden

Avalex is een zogenaamde gemeenschappelijke regeling van zes gemeenten in Zuid Holland: Delft, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk en Wassenaar. Via deze gemeenschappelijke regeling wordt het afval in deze gemeenten gebundeld opgehaald en verwerkt. Twence is een afvalverwerkingsbedrijf.

Na een Europese aanbestedingsprocedure hebben partijen op 6 oktober 2009 een overeenkomst gesloten voor de transport en verwerking van restafval van Avalex.

Na ommekomst van de termijn van zes jaar na 1 januari 2010 heeft Avalex telefonisch aan Twence te kennen gegeven dat zij de overeenkomst eenmaal met twee jaar verlengde. Op 5 augustus 2015 heeft Avalex dit schriftelijk bevestigd aan Twence.

Uitleg

Bij de uitleg van artikel 11, lid 2 neemt de rechtbank in aanmerking dat het aanbestedingsrecht eraan in de weg staat dat partijen na ommekomst van de looptijd van de overeenkomst met elkaar in onderhandeling treden over voortzetting daarvan en/of ingeval van gebruikmaking van een verleningsoptie, gewijzigde voorwaarden overeenkomen. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst, dient de opdracht opnieuw te worden aanbesteed. Dit lijdt uitzondering als in de overeenkomst uitdrukkelijk is voorzien in een mogelijkheid tot verlenging, zoals is gebeurd in artikel 11, lid 2. Indien deze optie wordt benut, wordt de overeenkomst gedurende de verlengde looptijd onder dezelfde voorwaarden voortgezet. Het in artikel 11, lid 2 bedoelde toestaan van verlenging van de overeenkomst, dient tegen deze achtergrond te worden verstaan. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat verlenging van de overeenkomst een uitzondering is op de vooropgestelde regel van de vaste looptijd.

Avalex dient de verlenging op grond van artikel 11, lid 2 te minste negen maanden voor de afloop van de overeenkomst schriftelijk vast te leggen. Verlenging is voorts alleen mogelijk na schriftelijke goedkeuring door Avalex. Het is een optie, die al dan niet benut kan worden.

Nu artikel 11, lid 2 bepaalt dat verlenging alleen is toegestaan met goedkeuring van Avalex, kan deze optie niet worden benut als alleen Twence dat wenst, maar Avalex niet. Dit staat ook niet ter discussie. Een zelfde of een vergelijkbare bepaling ontbreekt ten aanzien van Twence. Als, zoals Twence betoogt, bedoeld was verlenging (ook) alleen mogelijk te laten zijn met haar instemming, zou het voor de hand hebben gelegen dat dit met zoveel woorden was vastgelegd. Dit geldt temeer nu het gaat om een na een aanbesteding tot stand gekomen overeenkomst, waarvoor het transparantiebeginsel geldt, op grond waarvan alle aanbestedingsvoorwaarden worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze. Zo’n bepaling ontbreekt echter.

In artikel 11, lid 2 is alleen vastgelegd dat onderling overleg moet plaatshebben. Onderling overleg in de in het dagelijks spraakgebruik gangbare betekenis duidt op een gesprek. Het vereiste van onderling overleg duidt dus erop dat Avalex met Twence moet spreken alvorens zij beslist over verlenging van de overeenkomst. Het in artikel 11, lid 2 bedoelde overleg heeft onmiskenbaar betrekking op toekomstige, bij eventuele verlenging spelende uitvoeringskwesties en kan mede een evaluerend karakter hebben.

Anders dan Twence betoogt, is overleg over de vraag of beide partijen de overeenkomst wel of niet verlengen dus niet het enige waarop de woorden in onderling overleg uit artikel 11, lid 2 betrekking zou kunnen hebben. Dit vereiste dwingt dan ook niet tot de conclusie dat verlenging alleen is toegestaan als ook Twence daarmee instemt of dat goedkeurt. Twence kan dus niet worden gevolgd in haar betoog dat in onderling overleg duidt op wederkerigheid in de zin dat verlenging alleen aan de orde kan zijn als beide partijen dat willen.

Twence vraagt zich nog af wat Avalex moet goedkeuren als zij de overeenkomst eenzijdig kan verlenging. Aan deze vraag ligt de veronderstelling ten grondslag dat de in artikel 11, lid 2 bedoelde goedkeuring betrekking moeten hebben op een voorstel of een aanbod van de wederpartij. Dat gaat eraan voorbij dat de vereiste goedkeuring ook betrekking kan hebben op de verlenging als zodanig en dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat deze moet berusten op een eigenstandig genomen, weloverwogen beslissing van Avalex.

(IBR, 13 juni 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl