Uitsluiting op grond van erkenningssysteem (week 44)

Het hoofdgeding betreft een geschil tussen Vossloh Laeis en Stadtwerke München, als aanbestedende dienst, over de uitsluiting van eerstgenoemde van het erkenningssysteem in de zin van artikel 77 van richtlijn 2014/25 dat deze aanbestedende dienst in de loop van het jaar 2011 had ingevoerd in het kader van de gunning van overheidsopdrachten op het gebied van de levering van spoorwegonderdelen. Dit erkenningssysteem, dat verschillende keren – laatstelijk op 22 december 2015 – is verlengd, is eind 2016 vervallen. (HvJ EU 24 oktober 2018, C-124/17, ECLI:EU:C:2018:855)

Eerste en tweede vraag

Met haar eerste en haar tweede vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 80 van richtlijn 2014/25, gelezen in samenhang met artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24, in die zin moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die eist dat een ondernemer die ondanks het bestaan van een toepasselijke uitsluitingsgrond zijn betrouwbaarheid wil aantonen, de feiten en omstandigheden in verband met de strafrechtelijke inbreuk of met de fout volledig opheldert door niet alleen met de onderzoekende autoriteit, maar ook met de aanbestedende dienst, actief mee te werken om het herstel van zijn betrouwbaarheid te bewijzen.

Op de eerste en de tweede vraag dient te worden geantwoord dat artikel 80 van richtlijn 2014/25, gelezen in samenhang met artikel  57, lid 6, van richtlijn 2014/24, in die zin moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die eist dat een ondernemer die ondanks het bestaan van een toepasselijke uitsluitingsgrond zijn betrouwbaarheid wil aantonen, de feiten en omstandigheden in verband met de strafrechtelijke inbreuk of met de begane fout volledig opheldert door niet alleen met de onderzoekende autoriteit, maar ook met de aanbestedende dienst in het kader van de specifieke rol van deze laatste, actief mee te werken om het herstel van zijn betrouwbaarheid te bewijzen, voor zover die medewerking beperkt blijft tot de maatregelen die strikt noodzakelijk zijn voor dit onderzoek.

Derde en vierde vraag

Met haar derde en haar vierde vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 57, lid 7, van richtlijn 2014/24 in die zin moet worden uitgelegd dat wanneer een ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan een gedraging die onder de in artikel 57, lid 4, onder d), van deze richtlijn bedoelde uitsluitingsgrond valt en door een bevoegde autoriteit is bestraft, de maximumduur van de uitsluiting moet worden berekend vanaf de datum van het besluit van deze autoriteit.

Op de derde en vierde vraag dient te worden geantwoord dat artikel  57, lid 7, van richtlijn 2014/24 in die zin moet worden uitgelegd dat wanneer een ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan een gedraging die onder de in artikel 57, lid 4, onder d), van deze richtlijn bedoelde uitsluitingsgrond valt en door een bevoegde autoriteit is bestraft, de maximumduur van de uitsluiting wordt berekend vanaf de datum van het besluit van deze autoriteit.

(IBR, 31 oktober 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu