Uitsluiting uitgaven financiering door EU verricht (week 37)

De Europese Commissie heeft een besluit vastgesteld, inhoudende dat bepaalde uitgaven gedaan door de Tsjechische Republiek in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling worden onttrokken. Het beroep tot nietigverklaring van dit besluit is door het Gerecht afgewezen. (Hof van Justitie EU 3 september 2020, ECLI:EU:C:2020:628)

Feiten en omstandigheden

In het kader van drie controlebezoeken heeft de Commissie onderzocht of betalingen die door de Tsjechische autoriteiten in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) waren verricht, verenigbaar waren met de regels van het Unierecht. Vraag is of de door de overheid gefinancierde concrete acties zijn uitgevoerd in overeenstemming met de communautaire voorschriften en beleidsvormen, in het bijzonder de voorschriften inzake openbare aanbesteding, en met de relevante dwingende normen die in nationale wetgeving of in het programma voor plattelandsontwikkeling zijn vastgesteld.

Op 20 juni 2016 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, waaronder bepaalde uitgaven gedaan door de Tsjechische Republiek.

Het Gerecht heeft het beroep van de Tsjechische Republiek tot nietigverklaring van het litigieuze besluit afgewezen. Tegen dit arrest heeft de Tsjechische Republiek een hogere voorziening ingesteld.

Met haar eerste middel betoogt de Tsjechische Republiek dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat controles ter plaatse door middel van teledetectie en traditionele controles moeten leiden tot ‘in beginsel gelijkaardige’ percentages onregelmatigheden, en dat daarbij redelijkerwijs kan worden verwacht dat de hieruit voortvloeiende percentages onregelmatigheden op nationaal niveau niet van elkaar verschillen.

Het hof oordeelt dat moet worden opgemerkt dat de risicoanalyse waarop een controle door middel van teledetectie is gebaseerd, moet worden uitgevoerd voordat de betrokken lidstaat de keuze voor deze controlemethode heeft gemaakt. Dit geldt niet voor traditionele controles ter plaatse.

Het loutere verschil tussen de in het kader van traditionele controles ter plaatse vastgestelde percentages onregelmatigheden en de in het kader van controles ter plaatse door middel van teledetectie vastgestelde percentages onregelmatigheden, kan bij de Commissie geen ernstige en redelijke twijfels doen rijzen over de doeltreffendheid van de controles ter plaatse door middel van teledetectie,

Het tweede middel houdt in dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het art. 33 van verordening nr. 1122/2009 (hierna: verordening)  niet aldus heeft uitgelegd dat de steekproef uitsluitend in geval van ernstigere onregelmatigheden moest worden uitgebreid, hetgeen de nationale autoriteiten dienden te beoordelen.

Volgens het hof volgt uit de bewoordingen van art. 33 verordening, dat de nationale autoriteiten in beginsel geen beoordelingsvrijheid hebben. Aangezien er voor hen dienaangaande sprake is van een gebonden bevoegdheid, moeten zij de steekproef in dat geval uitbreiden.

Uit de bewoordingen van art. 57 en 58 van verordening blijkt dat deze betrekking hebben op de bepaling van de berekeningsgrondslag in het licht van de aangegeven oppervlakten en op verlagingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte. In deze artikelen is daarentegen niet bepaald dat de lidstaten in bepaalde gevallen verplicht zijn om de steekproef uit te breiden. Die verplichting is namelijk neergelegd in art. 33 verordening.

Het derde middel betwist de afwijzing door het Gerecht van een deel van haar betoog dat was gericht tegen de correctie betreffende de betalingen met terugwerkende kracht op grond dat het niet ter zake dienend was. Dit middel wordt niet door het Hof aanvaard.

Het hof oordeelt dat dit betoog van de Tsjechische Republiek geen doel treft, omdat zij haar stelling dat de Commissie een financiële correctie had opgelegd die ‘uitsluitend’ was ingegeven door het feit dat de investeringen vóór de invoering van het nationale steunprogramma waren verricht, niet heeft kunnen aantonen

Het vierde middel stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitlegging van art. 19 en art. 77, lid 5, van verordening nr. 555/2008, door de mogelijkheid van steekproefsgewijze controles ter plaatse uit te sluiten.

Naar het oordeel van het Hof bepaalt art. 19 verordening nr. 555/2008 dat de betaling van de steun afhangt van de controle ter plaatse die voorafgaat aan de afzonderlijke actie of alle acties waarvoor een steunaanvraag is ingediend, maar bevat het geen precisering met betrekking tot de wijze van die controle ter plaatse. De bewoordingen en het doel van die bepaling verzetten zich er dan ook niet tegen dat die acties door middel van een steekproefsgewijze controle ter plaatse worden gecontroleerd.

Uit de algemene regelgevingstechniek van verordening nr. 555/2008 volgt dat deze verordening de lidstaten alleen dan de verplichting oplegt om stelselmatige controles te verrichten indien dit in die verordening uitdrukkelijk is bepaald. Nu dit niet het geval is, kan een dergelijke verplichting ook niet aan lidstaten worden opgelegd.

Conclusie

De zaak moet naar het Gerecht worden terugverwezen.

(IBR, 9 september 2020)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu