Verduidelijking inschrijving (week 45)

De aanbestedende dienst heeft na sluiting van de inschrijving aan alle inschrijvers vragen gesteld. Eiseres betoogt dat er vragen zijn gesteld die hebben geleid tot ontoelaatbaar herstel van de inschrijving, zij vordert een herbeoordeling. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 21 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11619)

Feiten en omstandigheden

De Staat der Nederlanden (Defensie Materieel Organisatie, Ministerie van Defensie) (hierna: de Staat) heeft een Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog voor de selectie van één partij. Met die partij wenst de Defensie Materieel Organisatie van het Ministerie van Defensie (hierna: DMO) te contracteren voor de levering van 1433 containersystemen en bijbehorende subsystemen en het maximaal 30 jaar onderhouden van de geleverde systemen ten behoeve van de Nederlandse defensie. Vijf partijen, waaronder VDL-RUAG Shelters B.V. (hierna: VRS), Marshall Land Systems Ltd. (hierna: Marshall) en Conlog OY Ltd. (hierna: Conlog), hebben een inschrijving ingediend voor de aanbesteding.

De Staat heeft de voorlopige gunningsbeslissing aan de inschrijvers medegedeeld, inhoudende dat de Staat de opdracht voorlopig gunt aan Marshall. VRS is als derde geëindigd en Conlog als tweede.

Verduidelijking

De voorzieningenrechter stelt voorop dat DMO zich in het aanbestedingsdocument het recht heeft voorbehouden om inschrijvers te vragen om uitleg, verduidelijking of meer gegevens over hun inschrijving te geven, voor zover dit geen significant effect heeft op de aanbieding en niet leidt tot verstoring van de mededinging of tot discriminatie. Tegen deze bepaling in het aanbestedingsdocument hebben de inschrijvers, en dus ook VRS, geen bezwaar gemaakt. Deze bepaling is overigens ook niet in strijd met vaste jurisprudentie op dit punt.

VRS heeft de beschikking gekregen over de brieven met verduidelijkingsvragen die DMO aan de inschrijvers die als respectievelijk nummer 4 en 5 zijn geëindigd heeft gesteld. Onder verwijzing naar de aan deze inschrijvers gestelde vragen stelt VRS dat DMO te ver is gegaan bij het stellen van verduidelijkingsvragen aan de inschrijvers die als nummer 4 en 5 zijn geëindigd.

Als aan de nummers 4 en 5 vragen zijn gesteld die hebben geleid tot feitelijk nieuwe inschrijvingen of herstel op punten die op straffe van uitsluitingen waren voorgeschreven leidt dat hooguit tot de conclusie dat die inschrijvingen (alsnog) ongeldig moeten worden verklaard, maar rechtvaardigt dat niet de conclusie dat de inschrijving van Marshall voor de beantwoording van de verduidelijkingsvragen ongeldig was of dat zij door die beantwoording haar inschrijving heeft aangepast. Wat er ook zij van de aan de nummers 4 en 5 gestelde (verduidelijkings)vragen, die vragen rechtvaardigen niet de thans door VRS gevorderde herbeoordeling. Een herbeoordeling zoals door VRS is gevorderd, is slechts aangewezen als aan Marshall de mogelijkheid is geboden om haar inschrijving te herstellen of aan te vullen. DMO heeft in haar verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan geen sprake is geweest.

DMO heeft de brieven die zij aan Marshall heeft verzonden overgelegd. Uit deze brieven blijkt dat DMO in de brief van 19 januari 2018 vijf en in de brief van 30 januari 2018 zeven vragen aan Marshall heeft gesteld. Met Marshall en DMO is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vragen en de antwoorden daarop moeten worden bezien in de context van deze aanbesteding en met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel. Vaststaat dat er sprake is van een zeer lange, complexe aanbesteding die zeer veel specificaties omvatte, en daarmee ligt in de reden dat (meer) verduidelijkingsvragen gesteld worden dan in een eenvoudige(re) aanbestedingsprocedure. DMO heeft dat voorbehoud bovendien ook gemaakt in het Aanbestedingsdocument en de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied voorziet in artikel 2.102 ook in het vragen van een toelichting. Daar komt nog bij dat ook aan VRS verduidelijkingsvragen zijn gesteld, die VRS zonder enig bezwaar daartegen te maken heeft beantwoord. VRS heeft ook die vragen beantwoord en heeft daarover ook niet geklaagd, zodat VSR kennelijk in een eerder stadium ook zelf nog het standpunt innam dat de vragen toelaatbaar waren.

VRS heeft tegen drie van de vragen uit de brief van 19 januari 2018 en tegen zes van de vragen uit de brief van 30 januari 2018 concrete bezwaren geuit. Ten aanzien van die concrete bezwaren overweegt de voorzieningenrechter dat geen ontoelaatbare vragen zijn gesteld.

Slotsom

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van VRS en Marshall af.

(IBR, 7 november 2018)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl