Verplichting tot dooronderhandelen (week 47)

In het onderhavige kort geding beantwoord de voorzieningenrechter de vraag of partijen gehouden zijn tot dooronderhandeling en of sprake is van een rompovereenkomst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, waardoor een verplichting tot dooronderhandelen bestaat. Er is echter geen sprake van een rompovereenkomst. (Rechtbank Midden-Nederland 16 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4752)

Feiten en omstandigheden

In juni 2011 is het Rijk een aanbestedingsprocedure gestart in verband met een DBFMO-project. Strukton heeft zich samen met enkele andere bedrijven ingeschreven op het project (hierna: consortium). Strukton is met Vermaat gaan overleggen over de horecavoorzieningen voor het project. Partijen hebben een intentieovereenkomst gesloten. Vermaat zou de horecavoorzieningen gaan uitbaten als de opdracht aan het consortium zou worden gegund. Strukton en Vermaat zijn gaan onderhandelen over een schriftelijke overeenkomst voor de exploitatie van de horecavoorzieningen (hierna: de horeca-overeenkomst).

In juni 2014 is de opdracht aan het consortium gegund. Tussen Vermaat en het consortium is echter geen schriftelijke horeca-overeenkomst gesloten. Partijen hebben daarna nog overleg gehad om te zoeken naar een oplossing, maar Strukton heeft op 15 april 2019 de intentieovereenkomst opgezegd. Strukton heeft de andere consortiumpartners in 2017 uitgekocht.

Vermaat stelt dat er sprake is van een rompovereenkomst en vordert nakoming daarvan. Zij wil dat Strukton meewerkt aan het formaliseren van de horeca-overeenkomst. Strukton stelt zich op het standpunt dat geen rompovereenkomst tot stand is gekomen en dat er ook geen verplichting tot doorhandelen is.

Dooronderhandelen

De vraag die centraal staat is of Strukton, naar het voorlopig oordeel, nog verplichtingen heeft ten opzichte van Vermaat.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Strukton met Vermaat moet dooronderhandelen. De verwachtingen van Vermaat en Strukton waren vanaf het begin van de samenwerking duidelijk hoog. De samenwerking was daarmee niet vrijblijvend en kan worden afgeleid uit de intentieovereenkomst.

Daarnaast hebben partijen niet alleen een intentieovereenkomst gesloten, zij hebben naar aanleiding daarvan ook nauw samengewerkt. Het doel daarvan was dat het consortium de opdracht van het Rijk zou ‘binnenhalen’. Voor Vermaat betekende dit dat zij een concept moest ontwikkelen. Dit heeft zij ook gedaan. Een dergelijke nauwe samenwerking gaat veel verder dan reguliere ‘acquisitie-inspanningen’. Strukton moet daarom ook hebben begrepen dat Vermaat erop vertrouwde dat zij, bij een succesvolle bieding, in beginsel de horecavoorzieningen zou gaan uitbaten.

In de overeenkomst tussen Vermaat en het consortium moesten onder meer de financiële voorwaarden van de samenwerking tussen Vermaat en het consortium worden neergelegd. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een financiële bijdrage in de vorm van een staffel.

In oktober 2017 is de overeenstemming over de staffel opengebroken. De uitkomst hiervan was dat partijen weer vanaf nul moesten gaan onderhandelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Strukton niet had mogen terugkomen op de overeenstemming over de staffel.

Vast staat dat partijen op 1 november 2017 een gesprek hebben gehad en dat de onderhandelingen daarna ophielden. Volgens Strukton zijn partijen tot de conclusie gekomen dat ze er niet uitkwamen en dat verder onderhandelen geen zin had. Echter, niet aannemelijk is geworden dat Vermaat heeft ingestemd met de beëindiging van de onderhandelingen, omdat partijen na 1 november 2017 nog contact hebben gehad in verband met het project.

Opzegging was ongeldig

De intentieovereenkomst is op 15 april 2019 opgezegd. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de verplichting tot dooronderhandelen niet afhankelijk is van de ongeldigheid van de opzegging. Die verplichting volgt met name (i) uit de wijze waarop partijen aan de intentieovereenkomst uitvoering hebben gegeven, namelijk door feitelijk nauw samen te werken en gezamenlijk te investeren in het binnenhalen van de opdracht en (ii) uit het feit dat over de ‘staffel’ overeenstemming bestond, wat tot Strukton vanaf 2017 ten onrechte niet tot uitgangspunt is genomen bij de onderhandelingen.

Nu de opzegging mede berust op deze onjuiste veronderstelling, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de opzegging niet een door partijen beoogde toepassing van de intentieovereenkomst was.Strukton had, zo volgt uit het voorgaande, de onderhandelingen niet mogen afbreken. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter Strukton zal gebieden om de onderhandelingen te hervatten. Dit betekent niet dat Strukton een overeenkomst moet sluiten. Het

betekent wél dat Strukton de onderhandelingen, op basis van juiste uitgangspunten, opnieuw, en serieus, een kans moet geven.

Rompovereenkomst

Anders dan Vermaat betoogt, is het niet aannemelijk dat er een rompovereenkomst is. Hoewel partijen overeenstemming hadden bereikt over de staffel, een essentieel onderwerp, is niet aannemelijk dat er overeenstemming was over alle essentiële onderwerpen.

Beslissing

De voorzieningenechter gebiedt Strukton om, binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, de onderhandelingen met Vermaat met betrekking tot de horecavoorzieningen voor het project te hervatten met inachtneming van de bedoelde staffel en verbiedt Strukton om, gedurende de onderhandelingen, over de betreffende onderwerpen te onderhandelen en/of een overeenkomst te sluiten met derden.

(IBR, 20 november 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op rechtspraak.nl