Verplichting tot voorafgaande bekendmaking (week 44)

De regio Sardinië is overeenkomstig art. 7 lid 2 van de verordening nr. 1370/2007 overgegaan tot de bekendmaking van een vooraankondiging betreffende de onderhandse gunning van diensten op het gebied van openbaar spoorvervoer. Na deze bekendmaking heeft die regio twee blijken van belangstelling ontvangen van marktdeelnemers. De regio Sardinië was van mening dat zij niet over hoefde te gaan tot een openbare aanbesteding. Zij heeft het openbaredienstcontract onderhands gegund aan Trenitalia SpA. Tegen deze gunning heeft AGCM beroep ingesteld. (Hof van Justitie EU 24 oktober 2019, nr. C-515/18, ECLI:EU:C:2019:893)

Prejudiciële vragen

De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over volgende vragen:

Dient art. 7, lid 2, van verordening nr. 1370/2007 aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde instantie die voornemens is een overeenkomst onderhands te gunnen, krachtens deze bepaling verplicht is de nodige maatregelen te treffen om de voor het opstellen van een ernstige en redelijke inschrijving benodigde informatie bekend te maken of mee te delen aan alle marktdeelnemers die eventueel belangstelling hebben voor de exploitatie van de dienst?

Dient art. 7, lid 4, van verordening nr. 1370/2007 aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde instantie de overeenkomst slechts onderhands mag gunnen indien zij voorafgaandelijk alle inschrijvingen voor de exploitatie van de dienst die zij eventueel heeft ontvangen na de bekendmaking van de in die bepaling bedoelde vooraankondiging, aan een vergelijkende beoordeling heeft onderworpen?

Beoordeling

Er dient niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepalingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken, waarbij ook de totstandkomingsgeschiedenis van de bepalingen in kwestie relevante gegevens voor de uitlegging ervan kan bevatten.

Ten aanzien van de bewoordingen moet worden vastgesteld dat art. 7 lid 2 van verordening nr. 1370/2007 slechts gegevens opsomt die de bevoegde instantie noodzakelijkerwijs ten minste één jaar vóór de onderhandse gunning moet bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Alleen op basis van deze gegevens kan geen inschrijving worden opgesteld die het voorwerp kan uitmaken van een vergelijkende beoordeling.

Uit de tekst van art. 7 lid 4 van verordening nr. 1370/2007 kan niet worden afgeleid dat de verplichting om de met redenen omklede beslissing betreffende de onderhandse gunning toe te zenden, niet enkel betrekking heeft op de redenen die de bevoegde instantie ertoe hebben gebracht om over te gaan tot een onderhandse gunning, maar ook op de kwantitatieve of kwalitatieve beoordeling van de inschrijvingen die de bevoegde instantie eventueel heeft ontvangen.

Met betrekking tot de context van art. 7 leden 2 en 4 van verordening nr. 1370/2007 en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, dient allereerst worden opgemerkt dat in die verordening de voorschriften worden vastgesteld voor de onderhandse gunning of de gunning via openbare aanbesteding.

De bekendgemaakte gegevens moeten de marktdeelnemers in staat stellen om bezwaar te maken tegen het beginsel van de door de bevoegde instantie beoogde onderhandse gunning als zodanig. Marktdeelnemers kunnen tegen het beginsel zelf van de onderhandse gunning van het openbaredienstcontract ook op dienstige wijze bezwaar maken zonder dat aan de bevoegde instantie de verplichting wordt opgelegd om voorafgaandelijk alle nodige gegevens bekend te maken of mee te delen aan de geïnteresseerde marktdeelnemers opdat deze een ernstige en redelijke inschrijving kunnen indienen.

Ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7 leden 2 en 4 van de verordening nr. 1370/2007 bevestigt de letterlijke uitlegging van de bepaling.

Prejudiciële beslissing

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Art. 7, leden 2 en 4, van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale instanties die voornemens zijn een openbaredienstcontract voor personenvervoer per spoor onderhands te gunnen, niet verplicht zijn om ten eerste alle nodige informatie bekend te maken of mee te delen aan de geïnteresseerde marktdeelnemers opdat deze een voldoende gedetailleerde inschrijving kunnen opstellen die het voorwerp kan uitmaken van een vergelijkende beoordeling, en om ten tweede over te gaan tot een dergelijke vergelijkende beoordeling van alle inschrijvingen die zij na de bekendmaking van die informatie eventueel hebben ontvangen.

(IBR, 30 oktober 2019)

Lees voor nuancering de volledige uitspraak  op eur-lex.europa.eu