Ongeldige inschrijving moet terzijde geschoven worden (week 43)
Eisen | beoordeling van de kwaliteit
De Gemeente Haarlemmermeer heeft een Europese ‘Aanbesteding Ontwikkeling Locatie voormalige MAVO te Zwanenburg’ georganiseerd in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. Volgens de rechter kon de Gemeente niet anders dan tot de conclusie komen dat [A] met haar inschrijving niet aan de gestelde randvoorwaarden heeft voldaan, zodat de Gemeente en de inschrijving van [A] dus niet anders dan ongeldig kon verklaren. Dat de Gemeente dat pas heeft gedaan nádat zij een klacht van [B] had ontvangen over de inschrijving van [A] (aan wie de aanbesteding aanvankelijk voorlopig was gegund), is weliswaar zuur voor [A], maar dat maakt het voorgaande niet anders. Een ongeldige inschrijving moet terzijde gelegd worden. Iedere andere beslissing zou immers juist in strijd met het aanbestedingsrecht zijn. (ECLI:NL:RBNHO:2026:13621, Rechtbank Noord-Holland, Datum uitspraak 15 oktober 2026, Datum publicatie 22 oktober 2026.)
Feiten en omstandigheden
De Gemeente Haarlemmermeer heeft een Europese ‘Aanbesteding Ontwikkeling Locatie voormalige MAVO te Zwanenburg’ georganiseerd in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. In deze procedure verkoopt de gemeente de Locatie voormalige MAVO aan een ontwikkelaar die, conform algemeen geldende normen en de specifiek voor deze locatie gestelde randvoorwaarden, de locatie ontwikkelt en zorg draagt voor de verkoop of verhuur van de te realiseren woningen.
Op 10 juni 2026 hebben [A] en [B] ingeschreven op de Aanbesteding. Op 10 juli 2026 heeft de Gemeente via TenderNed onder meer het volgende aan [A] bericht: “De gemeente heeft besloten het gunningsvoornemen uit te spreken ten gunste van uw onderneming, [A] BV. U bent als winnende inschrijver beoordeeld met een puntentotaal van 90 van de 100 te behalen punten.”
Op 16 juli 2026 heeft de Gemeente onder meer het volgende aan [A] bericht:
Op 15 juli 2026 heeft [B] BV, de inschrijver die op de 2e plaats geëindigd is, de gemeente er via haar advocaat op gewezen dat de door u ingediende inschrijving op een aantal onderdelen niet aan de door de gemeente gestelde randvoorwaarden voldoet. Het belangrijkste bezwaar van [B] BV luidt dat in uw inschrijving het autoparkeren voor het grootste deel is opgelost in een halfverdiepte parkeergarage onder het gebouw. Niet alleen schrijft het Kavelpaspoort voor dat het parkeren aan de achterzijde van het gebouw plaatsvindt, ook het aantal bouwlagen is door de halfverdiepte garage niet in overeenstemming met de in het Kavelpaspoort gestelde eis aan het maximale aantal bouwlagen. De gemeente heeft daarom besloten het gunningsvoornemen aan uw onderneming in te trekken en het voornemen tot gunning opnieuw uit te spreken ten gunste van [B] BV.
Op 17 juli 2026 heeft [A] onder meer het volgende aan de Gemeente geschreven:
Nergens in de stukken is bepaald dat een halfverdiept souterrain als bouwlaag meetelt – dat is ook in strijd met de vaste planologische betekenis (bevestigd door de Raad van State, uitspraak 201101505/1/H1) telt een souterrain tot ~1,2 m boven peil níet als bouwlaag — onze garage steekt volgens doorsnede B-B ca. 1,0 m boven maaiveld. Ons ontwerp blijft binnen de door u zelf gestelde hoogtematen van 14 respectievelijk 11 meter.
Een inschrijving mag slechts ongeldig worden verklaard wegens strijd met eisen die voor alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers eenduidig zijn. Door onder druk van een afgewezen inschrijver achteraf een nieuwe eis te introduceren, handelt u in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel.
Op 23 juli 2026 heeft de Gemeente via TenderNed onder meer het volgende aan [A] bericht:
Hoewel wij het zeer betreuren dat wij als beoordelingsteam onze eigen eis over het hoofd gezien hebben, onderschrijven wij niet uw redenering dat het hier zou gaan om een nieuwe eis die pas na het uitspreken van het gunningsvoornemen geïntroduceerd zou zijn. In het Kavelpaspoort is in Deel B: Bouwregels de zin opgenomen ‘Het parkeren vindt plaats op het achterterrein’.
[A] vordert om de Gemeente te verbieden de opdracht te gunnen aan, dan wel de koop- en realisatieovereenkomst te sluiten met, [B] B.V., dan wel enige andere partij dan [A]. Het oordeel van de rechter:
Wel in aanbestedingsstukken
“Anders dan [A] in haar bezwaar van 17 juli 2026 aan de Gemeente heeft geschreven, berust de gecorrigeerde gunningsbeslissing naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus op een uitleg van het Kavelpaspoort die wel degelijk in de aanbestedingsstukken is te vinden. Zowel in (paragraaf 1.3.2.6 van) de Selectieleidraad als in (paragraaf 1.3.2 van ) de Inschrijvingsleidraad is als randvoorwaarde opgenomen: “Het parkeren vindt plaats op het terrein achter het gebouw”. In het Kavelpaspoort is onder ‘Bouwregels’ opgenomen: “Het parkeren vindt plaats op het achterterrein”. Deze voorwaarde is – zowel in doel als bewoording – volstrekt eenduidig over de locatie van parkeren. Een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver had dat dus ook als zodanig kunnen en moeten begrijpen. De opvatting dat die tekst “ruimte laat voor aanpassing”, zoals [A] ter zitting heeft aangevoerd, deelt de voorzieningenrechter dan ook niet. Het feit dat zowel de beide leidraden als het Kavelpaspoort een dergelijke keuzevrijheid ten aanzien van de situering van de fietsenstalling (inpandig of in de tuin) wél met zoveel woorden hebben overgelaten aan de inschrijvers maar voor het autoparkeren níet, draagt immers juist bij aan het dwingende karakter van de locatie voor parkeren (van auto’s), namelijk op het terrein achter het gebouw c.q. op het achterterrein. Dat is derhalve een dwingende (rand)voorwaarde ten aanzien van het parkeren, aan welke voorwaarde [A] met haar inschrijving – die immers uitgaat van halfverdiepte parkeerplekken onder het gebouw ten aanzien van nagenoeg de helft van de parkeerplaatsen – niet heeft voldaan.”
Inschrijving was ongeldig
“Bij die stand van zaken kon de Gemeente niet anders dan tot de conclusie komen dat [A] met haar inschrijving niet aan de gestelde randvoorwaarden heeft voldaan, zodat de Gemeente en de inschrijving van [A] dus niet anders dan ongeldig kon verklaren. Dat de Gemeente dat pas heeft gedaan nádat zij een klacht van [B] had ontvangen over de inschrijving van [A] (aan wie de aanbesteding aanvankelijk voorlopig was gegund), is weliswaar zuur voor [A] , maar dat maakt het voorgaande niet anders. Een ongeldige inschrijving moet terzijde gelegd worden. Iedere andere beslissing zou immers juist in strijd met het aanbestedingsrecht zijn.”
VdLC publishers/consultants BV, 28 oktober 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl