Opdracht hertaxaties is geen overheidsopdracht in aanbestedingsrechtelijke zin (week 44)
Overheidsopdracht | inbesteden
In deze zaak vordert [eiseres] van de Staat vergoeding van schade die zij zou hebben geleden omdat zij niet heeft kunnen meedingen naar het uitvoeren van hertaxaties van voertuigen voor de Belastingdienst. Volgens het Parket van de Hoge Raad is de hertaxatie-opdracht niet een ‘overheidsopdracht’ in aanbestedingsrechtelijke zin. Aan uitzonderingen op de aanbestedingsplicht wordt niet toegekomen omdat die uitzonderingen pas in beeld komen als sprake is van een overheidsopdracht. Volgens het Parket heeft het hof terecht geoordeeld dat bij gebrek aan overheidsopdracht de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn. De aangevoerde klachten slagen niet. (ECLI:NL:PHR:2026:1011, Parket bij de Hoge Raad, Datum uitspraak 23 oktober 2026, Datum publicatie 29 oktober 2026)
Feiten en omstandigheden
In deze zaak vordert [eiseres] van de Staat vergoeding van schade die zij zou hebben geleden omdat zij niet heeft kunnen meedingen naar het uitvoeren van hertaxaties van voertuigen voor de Belastingdienst. Sinds 2014 worden die diensten verricht door de dienst Domeinen Roerende Zaken, dat net als de Belastingdienst onderdeel is van het Ministerie van Financiën. [eiseres] betoogt dat de Staat deze diensten niet had mogen inbesteden maar had moeten uitbesteden aan een marktpartij en daartoe een aanbestedingsprocedure had moeten volgen. Op grond van de aanname dat de Staat tot het uitschrijven van een aanbesteding verplicht was én dat in dat geval de opdracht aan haar zou zijn gegund, stelt [eiseres] dat zij schade heeft geleden bestaande uit gederfde winst.
De rechtbank en het hof hebben de vordering afgewezen. De hertaxaties in kwestie worden in opdracht van de Belastingdienst uitgevoerd door een dienst die juridisch niet van de Belastingdienst is te onderscheiden. Er is geen sprake van een opdracht van een rechtspersoon aan een andere rechtspersoon. Om die reden is de hertaxatie-opdracht niet een ‘overheidsopdracht’ in aanbestedingsrechtelijke zin. Aan uitzonderingen op de aanbestedingsplicht wordt niet toegekomen omdat die uitzonderingen pas in beeld komen als sprake is van een overheidsopdracht.
In cassatie komt [eiseres] met rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel op. Mijns inziens heeft het hof terecht geoordeeld dat bij gebrek aan overheidsopdracht de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn. De aangevoerde klachten slagen niet. Het Parket van de Hoge Raad zegt o.a.:
Teckal en Stadt Halle nog relevant
“De arresten Teckal en Stadt Halle zijn, anders dan het subonderdeel klaagt, niet achterhaald met de inwerkingtreding van de Richtlijn. In jurisprudentie en literatuur met betrekking tot de Richtlijn worden beide arresten nog steeds als gezaghebbend aangehaald. A-G Hogan zet bijvoorbeeld in een conclusie uit 2019 de ‘in-house’ uitzondering (inbesteding) uiteen op basis van de ‘landmark case’ Teckal.35 Dat ligt ook voor de hand, omdat uit de Richtlijn zelf blijkt dat daarin de rechtspraak van het Hof van Justitie is gecodificeerd (zie hiervoor, nr. 4.19). Bovendien hebben genoemde arresten, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet alleen betrekking op de uitzondering van verticale samenwerking zoals gecodificeerd in art. 12 lid 1 Richtlijn, maar heeft het Hof juist een onderscheid gemaakt tussen zelfvoorziening/inbesteding en de uitzondering van verticale samenwerking. Overigens lijkt het middel in subonderdeel I.3 zelf ook er vanuit te gaan dat beide arresten nog relevant zijn voor de uitleg van de Richtlijn.”
Uitzondering niet relevant
“Het middel probeert (opnieuw) ingang te doen vinden dat het hof had moeten toetsen aan art. 12 lid 4 Richtlijn. Die uitzondering op de aanbestedingsregels is echter pas relevant als sprake is van een overheidsopdracht en dus van aanbestedende diensten die een overeenkomst onder bezwarende titel hebben gesloten. Volgens het hof is daarvan hier geen sprake, en daarmee is het terecht niet toegekomen aan een toetsing van de samenwerking tussen BD en DRZ aan de uitzondering genoemd in art. 12 lid 4 Richtlijn. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (zie het juridisch kader, nrs. 4.8, 4.10 en 4.26 hiervoor). Het aangevallen oordeel is bovendien goed te volgen. Anders dan het subonderdeel aanvoert, heeft het hof terecht getoetst of BD en DRZ juridisch onderscheiden entiteiten zijn, omdat dit van belang is in het kader van de vraag of sprake is van inbesteding. Het subonderdeel miskent verder dat zelfs als sprake zou zijn van twee separate aanbestedende diensten, daarmee niet automatisch getoetst moet worden aan art. 12 lid 4 Richtlijn (zie het juridisch kader, nrs. 4.8 en 4.32 hiervoor). Uit art. 12 lid 4 volgt juist dat daarvoor ook is vereist dat de samenwerking berust op een overeenkomst tussen de diensten.36 Dan pas is immers sprake van een overheidsopdracht. Op andere vormen van samenwerking tussen overheidsdiensten, dat wil zeggen: niet door middel van een overeenkomst, is de Richtlijn niet van toepassing.”
slotsom is dat alle klachten van onderdeel I falen. Het Parket ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De rechtspraak over de begrippen ‘overheidsopdracht’ en ‘inbesteding is voldoende duidelijk.
VdLC publishers/consultants BV, 4 november 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl