Aanbestedingsrecht niet geschonden bij opdracht herstructureren Food Center Amsterdam (week 38)
Gelijkheidsbeginsel | Didam
De Gemeente Amsterdam heeft door middel van een aanbestedingsprocedure aan (een rechtsvoorganger van Marktkwartier de opdracht gegund om het Food Center Amsterdam (FCA ) te herstructureren. Aan deze overdracht van bevoegdheden is een Europese aanbestedingsprocedure voorafgegaan, waarvan niet gebleken is dat daarbij het aanbestedingsrecht is geschonden. Met het voldoen aan het aanbestedingsrecht is volgens het hof ook voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en daarmee de Didam-regels omtrent het bieden van een passende mate van openbaarheid en het bieden aan potentiële serieuze gegadigden van de benodigde ruimte mee te dingen naar de (aankoop van de) onroerende zaak. (ECLI:NL:GHAMS:2026:2610, Gerechtshof Amsterdam, Datum uitspraak 8 september 2026, Datum publicatie 14 september 2026)
Feiten en omstandigheden
De Gemeente Amsterdam heeft door middel van een aanbestedingsprocedure aan (een rechtsvoorganger van Marktkwartier de opdracht gegund om het Food Center Amsterdam (FCA ) te herstructureren. Dit houdt in grote lijnen in het opstellen van een stedenbouwkundig plan, inclusief de grond- en vastgoedexploitatie en het beheer van het afgesloten deel van het FCA . Hieronder valt ook het onderhandelen met c.q. het verplaatsen van ongeveer 45 bedrijven die al op het FCA gevestigd zijn. Bij de opdracht is aan Marktkwartier een zogenaamd aanwijsrecht gegund, waarmee Marktkwartier aan de Gemeente kan voordragen welke partij in aanmerking komt voor een (nieuwe) erfpachtovereenkomst met de Gemeente op het nieuwe FCA . Een aantal van de reeds op het terrein gevestigde bedrijven en hun vereniging bestrijden in deze procedure de wijze waarop de Gemeente Marktkwartier dit aanwijsrecht laat uitoefenen. Concreet komen zij in deze kortgedingprocedure op tegen een recente erfpachtuitgifte door de Gemeente aan Marktkwartier en tegen toekomstige erfpachtuitgiftes die de Gemeente heeft aangekondigd. Zij stellen onder meer dat deze uitgiftes in strijd zijn met de Didam-regels. Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de argumenten van de Vereniging c.s. geen doel treffen. Het hof zegt o.a.:
Gelijkheidsbeginsel
“Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen.” De hiervoor in 3.1.4 en 3.1.5 bedoelde mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. In het arrest Didam II heeft de Hoge Raad ten aanzien van de als laatst geciteerde regel (onder 3.1.6 van het Didam I arrest) toegelicht dat deze regel ertoe strekt een gegadigde die meent volgens de gestelde criteria in aanmerking te komen voor aankoop, of die meent dat de criteria niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen, alsnog de mogelijkheid te bieden op een gelijke kans bij aankoop van de onroerende zaak. Daarnaast heeft de Hoge Raad beslist dat een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, niet op grond van artikel 3:40 lid 2 BW nietig of vernietigbaar is.”
Geen strijd met Didam-regels
“Zoals hiervoor is toegelicht heeft de Gemeente het hele proces van (her)plaatsing van ondernemingen op het FCA , overgedragen aan een commerciële partij (de rechtsvoorganger van Marktkwartier), ook al is de Gemeente zelf de partij die uiteindelijk de privaatrechtelijke (erfpacht)overeenkomst ten behoeve van die (her)plaatsing aangaat met de betrokken ondernemingen. Aan deze overdracht van (civielrechtelijke) bevoegdheden, waartoe niet alleen de bevoegdheid om te onderhandelen met de zittende ondernemers behoort, maar ook het daarmee verweven recht om aan te wijzen met wie de Gemeente een erfpachtovereenkomst zal aangaan, is een Europese aanbestedingsprocedure voorafgegaan, waarvan voorshands niet gebleken is dat daarbij het aanbestedingsrecht is geschonden. Met het voldoen aan het aanbestedingsrecht is ook voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en daarmee de Didam-regels omtrent het bieden van een passende mate van openbaarheid en het bieden aan potentiële serieuze gegadigden van de benodigde ruimte mee te dingen naar de (aankoop van de) onroerende zaak. De Vereniging c.s. hebben niet toegelicht waarin de Didam-regels ten opzichte van het toepasselijke aanbestedingsrecht nog strengere eisen zouden stellen waaraan niet zou zijn voldaan door de Gemeente bij het gunnen van de opdracht aan (de rechtsvoorganger van) Marktkwartier. Het hof ziet dus voorshands geen grond voor het oordeel dat de gunning van het aanwijsrecht aan Marktkwartier is geschied in strijd met de Didamregels.”
VdLC publishers/consultants BV, 23 september 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl