Bevoegde autoriteit kan gelasten naam bekend te maken van niet uitgesloten ondernemer die onjuiste informatie heeft verstrekt (week 42)
Evenredigheidsbeginsel | facultatieve uitsluitingsgronden
Een Litouwse aanbestedende dienst gunde een bouwopdracht aan VA Statyba. Na de gunning stelde een rechter vast dat VA Statyba grove nalatigheid had gepleegd door onjuiste informatie over haar kwalificaties te verstrekken. Het gunningsbesluit werd vernietigd, maar de gesloten overeenkomst bleef in stand. Een definitieve rechterlijke uitspraak bevestigde de onjuiste informatie. Vervolgens ontstond discussie of VA Statyba verplicht op de nationale lijst van leveranciers met onjuiste informatie moest worden geplaatst. De aanbestedende dienst weigerde dit, waarna de bevoegde autoriteit plaatsing gelastte. Het HvJEU oordeelt dat Richtlijn 2014/24 een dergelijke bekendmaking toestaat, ook wanneer de ondernemer tijdens de oorspronkelijke aanbesteding niet was uitgesloten (ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer) zaak C‑402/25, 15 oktober 2026).
Feiten en omstandigheden
In juli 2023 schreef een Litouwse aanbestedende dienst een internationale openbare aanbesteding uit voor de bouw van een sport- en gezondheidscomplex in Plungė. De geraamde waarde bedroeg €7.453.375 exclusief btw en lag daarmee boven de Europese aanbestedingsdrempel. Als deelnemingsvoorwaarden golden onder meer eisen over de jaarlijkse omzet uit bouwwerkzaamheden en over de succesvolle uitvoering van bepaalde bouwwerkzaamheden in de voorafgaande vijf jaar. De opdracht werd gegund aan VA Statyba, waarna op 10 oktober 2023 een overeenkomst werd gesloten. De als tweede geëindigde inschrijver stelde vervolgens dat VA Statyba onjuiste informatie over het voldoen aan de kwalificatievereisten had verstrekt. De rechter in eerste aanleg stelde inderdaad vast dat sprake was van onjuiste informatie en kwalificeerde dit als misleiding van de aanbestedende dienst door grove nalatigheid. Hij oordeelde dat VA Statyba op grond van het Litouwse aanbestedingsrecht had kunnen worden uitgesloten. Het gunningsbesluit werd nietig verklaard, maar de reeds gesloten overeenkomst bleef in stand. Tevens werd een boete opgelegd. Dit oordeel werd in hoger beroep bevestigd. De aanbestedende dienst besloot vervolgens VA Statyba niet op de wettelijke lijst van leveranciers met onjuiste informatie te plaatsen, omdat zij van mening was dat de wettelijke voorwaarden daarvoor niet waren vervuld. De Litouwse autoriteit voor overheidsopdrachten dacht daar anders over en verplichtte de aanbestedende dienst in februari 2025 om VA Statyba alsnog op deze lijst te plaatsen. De aanbestedende dienst vocht dit besluit aan. Volgens haar konden alleen leveranciers op de lijst worden geplaatst die door de aanbestedende dienst zelf tijdens de aanbestedingsprocedure waren uitgesloten. De autoriteit stelde daarentegen dat plaatsing verplicht was zodra een rechter bij een definitieve beslissing had vastgesteld dat de leverancier onjuiste informatie had verstrekt. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie vervolgens of een dergelijke verplichte openbaarmaking verenigbaar is met Richtlijn 2014/24, Richtlijn 89/665 en het evenredigheidsbeginsel, ook wanneer de aanbestedende dienst de leverancier vóór het sluiten van de overeenkomst niet zelf had uitgesloten. Het oordeel van het HvJEU
Conclusie
Het Hof (Zevende kamer) zegt dat de Richtlijnen aldus moeten worden uitgelegd dat “zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan een op het gebied van overheidsopdrachten bevoegde autoriteit een aanbestedende dienst kan gelasten de naam bekend te maken van een ondernemer die onjuiste informatie heeft verstrekt over de naleving van de kwalificatievereisten, ook al heeft deze aanbestedende dienst deze ondernemer niet van de aanbestedingsprocedure uitgesloten voordat deze is afgerond en is bij een onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing vastgesteld dat die ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen, op voorwaarde dat:
– de duur van die bekendmaking evenredig is aan de ernst van het gedrag van de betrokken ondernemer en niet langer is dan de in artikel 57, lid 7, van richtlijn 2014/24, zoals gewijzigd, vastgestelde maximumduur;
– deze ondernemer tijdens de duur van die bekendmaking overeenkomstig artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24, zoals gewijzigd, mag aantonen dat hij betrouwbaar is teneinde te worden toegelaten tot een latere aanbestedingsprocedure;
– die ondernemer beschikt over een doeltreffende voorziening in rechte tegen ten minste één van de besluiten in verband met een dergelijke bekendmaking, die respectievelijk door die autoriteit en de betrokken aanbestedende dienst zijn vastgesteld.
VdLC publishers/consultants BV, 21 oktober 2026
Lees de volledige uitspraak op eur-lex.europa.eu