Niet iedere onvolkomenheid in motivering leidt tot consequenties (week 42)
Beoordeling van de kwaliteit | motivering
Bij een Europese openbare aanbestedingsprocedure “Levering ondergrondse containers en toegangscontrolesystemen” heeft Eiser diverse bezwaren geuit over de beoordeling van de (twee) kwalitatieve subgunningscriteria die zien op de praktijkbeoordeling. De rechter concludeert dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de beoordelingscommissie van Rova niet in redelijkheid tot haar beoordeling heeft kunnen komen en de beoordeling zodanig aperte onjuistheden of onduidelijkheden bevat dat de daarop gebaseerde gunningsbeslissing niet zou deugen. Het is volgens de rechter ook niet zo dat iedere onvolkomenheid in de motivering van de beoordeling van een kwaliteitscriterium moet leiden tot consequenties (zoals bijvoorbeeld een herbeoordeling) (ECLI:NL:RBOVE:2026:6038, Rechtbank Overijssel, Datum uitspraak 7 oktober 2026, Datum publicatie 14 oktober 2026).
Feiten en omstandigheden
In 2026 heeft Rova een Europese openbare aanbestedingsprocedure “Levering ondergrondse containers en toegangscontrolesystemen” via Tenderned georganiseerd. Eiser heeft de opdracht ter zake het perceel waarop zij had ingeschreven niet gegund gekregen en is daarom dit kort geding gestart. Eiser heeft diverse bezwaren geuit tegen (de uitkomst van) de beoordeling van de (twee) kwalitatieve subgunningscriteria die zien op (kort gezegd) de praktijkbeoordeling. Het verweer van Rova dat eiser niet-ontvankelijk is in haar vorderingen slaagt niet. Na inhoudelijke beoordeling komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de beoordelingscommissie van Rova niet in redelijkheid tot haar beoordeling heeft kunnen komen en de beoordeling zodanig aperte onjuistheden of onduidelijkheden bevat dat de daarop gebaseerde gunningsbeslissing niet zou deugen. De rechter zegt o.a.:
Beoordelingskader niet onjuist toegepast
“Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat Rova bij de beoordeling van de subgunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07 het beoordelingskader onjuist heeft toegepast. Uit de aanbestedingsstukken volgt duidelijk dat er één beoordelingscijfer in consensus wordt gegeven voor het totale subgunningscriterium en dat de beoordeling plaatsvindt op basis van het geheel en niet per elk afzonderlijk genoemd aspect. Verder blijkt uit de aanbestedingsstukken duidelijk dat de meerwaarde niet alleen wordt beoordeeld ten opzichte van de uitvraag, maar ook ten opzichte van de andere inschrijvers. Deze wijze van beoordelen van de meerwaarde betekent dus niet dat de enkele omstandigheid dat de beoordelingscommissie een of meerdere aspecten van een inschrijving positief vindt of als (heel) goed aanmerkt automatisch tot meerwaarde (en dus een hogere score dan “3”) zou moeten leiden. [eiser] mag vinden dat de door de beoordelingscommissie positief benoemde aspecten bij uitstek meerwaarde vertegenwoordigen, maar het is aan de beoordelingscommissie om te beoordelen of er al dan niet sprake is van meerwaarde en zij beoordeelt dat dus niet alleen aan de hand van de positieve aspecten, maar op basis van het geheel (waaronder dus ook negatieve punten kunnen vallen) en kan bij deze beoordeling ook andere inschrijvingen betrekken.”
Tekortkoming moet van wezenlijke aard zijn
“Het is dus ook niet zo dat iedere onvolkomenheid in de motivering van de beoordeling van een kwaliteitscriterium moet leiden tot consequenties (zoals bijvoorbeeld een herbeoordeling). De enkele omstandigheid dat een onderdeel van de motivering – in de visie van [eiser] – voor discussie vatbaar is, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de gehele beoordeling onzorgvuldig is. Zoals hiervoor al is overwogen moet het gaan om een tekortkoming van wezenlijke aard die meebrengt dat de beoordeling zodanig gebrekkig is dat herbeoordeling is aangewezen. Daarbij moet eveneens in aanmerking worden genomen dat uit de aanbestedingsstukken duidelijk volgt dat er een beoordelingscijfer in consensus wordt gegeven voor het totale gunningscriterium en niet voor afzonderlijk benoemde aspecten.”
Kieren
Het betoog van [eiser] dat de constatering van (de beoordelingscommissie van) Rova dat de modulaire opbouw op sommige plekken grote kieren vertoonde feitelijk onjuist is en dat de terugkoppeling geen weerslag vormt van een eerlijke beoordeling volgt de voorzieningenrechter niet. Het is de keuze van [eiser] geweest om meerdere demonstratiezuilen mee te nemen naar de praktijkbeoordeling, waarbij volgens haar iedere zuil representatief was voor een bepaald onderwerp/onderdeel. Deze keuze ligt echter wel in de risicosfeer van [eiser], nu uit de aanbestedingsstukken duidelijk volgt dat het de verantwoordelijkheid van de inschrijver is om ervoor te zorgen dat het gedemonstreerde product zoveel mogelijk overeenkomt met het product dat geoffreerd wordt. Er mochten eventueel wel afwijkingen zijn, maar die waren wel voor rekening van de inschrijver en konden tot een lager aantal punten of zelfs nul punten leiden. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie worden getrokken dat de hiervoor genoemde constatering niet mocht worden meegewogen bij de te geven score bij subgunningscriterium KG-1.06. [eiser] heeft immers erkend dat meerdere zuilen kieren vertoonden. Dat de weersomstandigheden zodanig waren dat de van de zijde van [eiser] gegeven toelichtingen betreffende de representativiteit van de zuilen niet door iedereen (van de beoordelingscommissie) zijn gehoord maakt dit niet anders, nu dat ook in de risicosfeer van [eiser] ligt.”
De voorzieningenrechter concludeert dat [eiser] niet aannemelijk heeft weten te maken dat bij de door haar genoemde onderdelen sprake is van een onbegrijpelijke of evident onjuiste beoordeling, dan wel dat er procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden kleven aan de beoordeling, die ertoe zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter moet concluderen dat de beoordeling van de inschrijving van [eiser] door de beoordelingscommissie niet deugt.
VdLC publishers/consultants BV, 21 oktober 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl