Onvoldoende aangevoerd om aanbesteding Gerrit Krol-brug op te schorten (week 31 en 32)
proportionaliteit | eisen | UAV-GC | concurrentiegerichte dialoog
De Staat (Rijkswaterstaat) heeft een Europese aanbesteding volgens de concurrentiegerichte dialoog uitgeschreven voor de opdracht voor het ontwerpen en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolburg’. De combinatie vordert Rijkswaterstaat te gebieden de aanbesteding op te schorten en de voorwaarden van de Opdracht aan te passen zodat de aanbesteding zal voldoen aan de eisen van het aanbestedingsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit. De rechter komt tot het oordeel dat de Combinatie onvoldoende heeft aangevoerd voor toewijzing van haar primaire vorderingen. Haar vorderingen om Rijkswaterstaat te veroordelen de aanbesteding op te schorten, de voorwaarden aan te passen of om nog een dialoogronde te houden, worden afgewezen. (ECLI:NL:RBDHA:2026:21825, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 29 juni 2026, Datum publicatie 5 augustus 2026)
Feiten en omstandigheden
De Staat (Rijkswaterstaat) heeft een Europese aanbesteding volgens de concurrentiegerichte dialoog uitgeschreven voor de opdracht voor het ontwerpen en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolburg’ Rijkswaterstaat wenst een nieuwe beweegbare brug inclusief de daarvoor benodigde systemen en twee nieuwe voetgangersbruggen te realiseren.
Rijkswaterstaat heeft in de selectiefase drie gegadigden geselecteerd om deel te nemen aan de dialoogfase. In de periode januari tot en met april 2026 zijn drie dialoogrondes gehouden. Ook hebben er specialistische overleggen plaatsgehad. Rijkswaterstaat heeft met de Combinatie drie escalatiegesprekken gevoerd.
Op 5 mei 2026 heeft de Combinatie bij brief een uitgebreid uitgewerkte klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt over de voorwaarden van de opdracht en de informatieverstrekking bij de aanbesteding. De Combinatie stelt dat Rijkswaterstaat in het voortraject van de aanbesteding onvoldoende informatie beschikbaar heeft gesteld. Ook voert de Combinatie aan dat het risicoprofiel van de aanbesteding na beantwoording van alle vragen door Rijkswaterstaat en de dialoogrondes die hebben plaatsgevonden nagenoeg ongewijzigd is gebleven en dat (nog steeds) sprake is van een zodanig disproportioneel contract dat daar niet op een verantwoorde wijze op kan worden aangeboden. De combinatie vordert Rijkswaterstaat te gebieden de aanbesteding op te schorten en de voorwaarden van de Opdracht aan te passen zodat de aanbesteding zal voldoen aan de eisen van het aanbestedingsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit. Het oordeel van de rechter:
Ontwerpkeuzen blijven mogelijk
“De stelling van de Combinatie dat álle ontwerpkeuzes al zijn gemaakt is onvoldoende toegelicht. Het door de Combinatie aangehaalde voorbeeld op pagina 53 en 54 van het E-PvE (randnummer 6 pleitnota) is in ieder geval onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Daar komt bij dat in het kader van de beoordeling van de door de Combinatie gestelde onmogelijke eisen is gebleken dat kennelijk wel ontwerpkeuzen mogelijk blijven (zoals lokale afscherming in plaats van volledige, en inspectie met behulp van laagwerkers). De voorzieningenrechter zal dan ook als uitgangspunt hanteren dat de opdracht in de vorm van een design & construct contract met als voorwaarden de UAV-GC 2025 kan plaatsvinden. Dat de concurrentiegerichte dialoog voor de aanbesteding niet geschikt zou zijn, is mede gelet op de gehouden dialoogrondes waar dit bezwaar kennelijk niet is opgeworpen, niet aannemelijk gemaakt.”
Te veel risico’s
“De stelling van de Combinatie dat sprake is van zoveel risico’s dat het welhaast onmogelijk is om een representatieve prijs voor het werk af te geven, is door Rijkwaterstaat gemotiveerd betwist. Zoals hierboven is geoordeeld, is van tegenstrijdige eisen in de aanbesteding en van een onuitvoerbare opdracht niet gebleken. De enkele beschrijving door de Combinatie van het worstcase-scenario waarin een EMVI-BPKV-sanctie van 150% van de fictieve korting is bepaald, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een disproportionele eis. Rijkswaterstaat heeft toegelicht dat die situatie zich alleen kan voordoen als een opdrachtnemer de hoogste kwaliteitsscore heeft gekregen en opdrachtnemer vervolgens in het geheel niet levert. Dat in dat geval de sanctie disproportioneel uitpakt, kan in redelijkheid niet worden gezegd.”
Nagenoeg alle voorwaarden in stand gehouden
“De Combinatie heeft er tot slot nog op gewezen dat Rijkswaterstaat nagenoeg alle voorwaarden, ondanks input, kritiek, bezwaren en zelfs een klacht in stand heeft gelaten. Dat zou op zichzelf al getuigen van een disproportionele opstelling van Rijkswaterstaat, aldus de Combinatie. Op Rijkswaterstaat rust vanzelfsprekend geen verplichting suggesties van gegadigden in het proces over te nemen of bezwaren en verzoeken te honoreren. Dat Rijkswaterstaat artikel 3.9 van de Gids Proportionaliteit heeft geschonden is niet gebleken. Rijkswaterstaat heeft aangetoond dat zij gegadigden de gelegenheid heeft geboden om suggesties te doen. Daarvoor zijn ook diverse dialoogrondes gehouden. Ook hebben er drie escalatiegesprekken op directieniveau plaatsgehad. Dat Rijkswaterstaat onwelwillend zou zijn geweest om naar de bezwaren en klachten van de Combinatie te kijken, is niet gebleken. Zo is Rijkswaterstaat eerder ook tot aanpassing overgegaan voor wat betreft de hoogte van de dagboete in artikel 16 van de basisovereenkomst. Van een disproportionele opstelling in het proces is niet gebleken.”
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Combinatie onvoldoende heeft aangevoerd voor toewijzing van haar primaire vorderingen. Haar vorderingen om Rijkswaterstaat te veroordelen de aanbesteding op te schorten, de voorwaarden aan te passen of om nog een dialoogronde te houden, zullen worden afgewezen. Ook voor toewijzing van de subsidiaire vorderingen (opschorting van de aanbesteding in combinatie met het verstrekken van een motivering waarom is afgeweken van de Gids Proportionaliteit) en de meer subsidiaire vorderingen (intrekking van de aanbesteding en uitkering van de ontwerpvergoeding van € 750.000) is gelet op het oordeel zoals hierboven gegeven geen aanleiding. Rijkswaterstaat kan de aanbesteding voortzetten.
VdLC publishers/consultants BV, 13 augustus 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl