Stand-by-diensten zijn geen onderdeel scope aanbesteding (week 31 en 32)
Uitleg aanbestedingsstukken
HTM heeft op 29 juni 2024 een Europese openbare aanbesteding voor de Inhuur monteurs en inzet veiligheidsdiensten afdeling Infra aangekondigd. HTM heeft besloten de opdracht voor perceel 2 aan ABR te gunnen. CRS en ABR hebben op 13 september 2024 een samenwerkingsovereenkomst getekend waarin is opgenomen dat de kern van deze samenwerking ziet op het gezamenlijk leveren van veiligheidspersoneel aan HTM. Begin 2026 heeft ABR zich op het standpunt gesteld dat CRS buiten haar om opdrachten van HTM aannam die volgens ABR onder de scope van de aanbesteding vielen. De rechter oordeelt dat CRS er met juistheid op heeft gewezen dat HTM in de NvI uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat stand-by-diensten geen onderdeel zijn van de scope van de aanbesteding. Dat betekent dat stand-by-diensten niet op één lijn zijn te stellen met diensten ter uitvoering van ad hoc-aanvragen door HTM. (ECLI:NL:RBDHA:2026:21807, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 15 juli 2026, Datum publicatie 5 augustus 2026)
Feiten en omstandigheden
HTM heeft op 29 juni 2024 een Europese openbare aanbesteding voor de Inhuur monteurs en inzet veiligheidsdiensten afdeling Infra aangekondigd. De aanbesteding is verdeeld in twee percelen. Voor deze kortgedingprocedure is het tweede perceel van belang: Veiligheidsdiensten. CRS en ABR hebben op 13 september 2024 een samenwerkingsovereenkomst getekend. In overweging C van de samenwerkingsovereenkomst is opgenomen dat de kern van deze samenwerking ziet op het gezamenlijk leveren van veiligheidspersoneel aan HTM.
ABR heeft op 23 september 2024 ingeschreven op de aanbesteding. In het aanbestedingsdocument dat ABR heeft ingevuld en ondertekend staat CRS als onderaannemer vermeld.
HTM heeft de inschrijving van ABR voor perceel 2 Veiligheidsdiensten aangewezen als de economisch meest voordelige inschrijving. HTM heeft besloten de opdracht aan ABR te gunnen. HTM en ABR hebben op 14 november 2024 afspraken vastgelegd in een raamovereenkomst.
Begin 2026 heeft ABR zich op het standpunt gesteld dat CRS buiten haar om opdrachten van HTM aannam die volgens ABR onder de scope van de aanbesteding vielen, en daarom over de band van de samenwerkingsovereenkomst tussen ABR en CRS hadden moeten lopen. Aanleiding daarvoor was kennisname van een pro forma factuur van CRS gericht aan HTM, die bij ABR terecht was gekomen.
ABR heeft HTM aangeschreven en het standpunt ingenomen dat HTM opdrachten die binnen de raamovereenkomst vallen bij derden partijen uitzet, waardoor de belangen van ABR worden geschaad. HTM heeft ABR bij brief van 8 mei 2026 bericht dat consignatiediensten expliciet buiten de scope van de aanbesteding vallen en dat HTM die diensten buiten de raamovereenkomst om aan marktpartijen kan verstrekken. Wel constateert HTM dat in een aantal gevallen reguliere veiligheidsdiensten ten onrechte buiten de raamovereenkomst zijn uitgezet. HTM heeft daarvoor excuses aangeboden en zij heeft gesteld interne maatregelen te hebben getroffen.
ABR heeft CRS bericht dat zij sterke vermoedens heeft dat CRS zelfstandig een stand-by-/spoedovereenkomst met HTM heeft gesloten. In dat kader heeft zij CRS om opheldering gevraagd. Ook heeft ABR HTM gevraagd of het juist is dat een dergelijke overeenkomst is gesloten en zij heeft HTM om opheldering gevraagd.
HTM heeft ABR vervolgens bericht dat zij een overeenkomst met CRS is aangegaan met betrekking tot spoeddiensten. HTM heeft benadrukt dat zij zich op het standpunt stelt dat spoeddiensten niet onder de scope van de raamovereenkomst met ABR vallen. CRS heeft ontkend dat zij een separate overeenkomst met HTM heeft gesloten voor stand-by-diensten. Zij stelt daarbij dat voor zover zij operationele ondersteuning aan HTM verleent of zal verlenen bij stand-by- of calamiteitensituaties, die dienstverlening buiten de scope van de aanbesteding en de samenwerkingsovereenkomst tussen ABR en CRS valt. Partijen hebben vervolgens over en weer veelvuldig gecorrespondeerd over het gerezen geschil. ABR vordert CRS te veroordelen haar werkzaamheden die zij in rechtstreekse opdracht van HTM verricht te staken en gestaakt te houden. Het oordeel van de rechter:
Verschillende termen
“In de kern ligt de vraag voor of CRS in strijd met de gemaakte samenwerkingsafspraken met ABR werkzaamheden uitvoert voor HTM. CRS betwist dat daarvan sprake is. Zij voert aan dat ABR ten onrechte doet voorkomen alsof alle werkzaamheden die iets te maken hebben met ‘spoed’, ‘storingen’, ‘calamiteiten’, stand-by’ of ‘consignatie’ automatisch onder de raamovereenkomst vallen. Zij voert voorts aan dat zij niet gehouden is werkzaamheden te staken die zij buiten de raamovereenkomst voor HTM verricht. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen verschillende termen gebruiken voor een dienst waarbij na een uitvraag van HTM de betreffende dienstverlener binnen 30 tot 45 minuten ter plekke beschikbaar moet zijn: spoeddiensten, consignatiediensten, stand-by-diensten. De voorzieningenrechter zal in dit vonnis de term stand-by-dienst hanteren. De voorzieningenrechter oordeelt dat CRS met HTM is overeengekomen stand-by-diensten te verrichten, dat deze diensten niet onder de raamovereenkomst of samenwerkingsovereenkomst vallen en dat CRS niet gehouden is deze diensten te staken. Daarvoor is het volgende van belang.”
Er is een overeenkomst
“ABR stelt dat de stand-by-diensten die CRS buiten haar om voor HTM verricht onder de raamovereenkomst vallen zodat CRS haar afspraken met ABR niet nakomt. Dat CRS deze diensten verricht is ter zitting wel duidelijk geworden. CRS heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat HTM haar maandelijks een bedrag betaalt voor het stand-by staan teneinde direct diensten te kunnen leveren. HTM heeft ook in een e-mail van 22 mei 2026 schriftelijk aan ABR bevestigd dat zij met CRS een overeenkomst voor het verrichten van stand-by-diensten heeft gesloten. Daarmee staat vast dat CRS en HTM op dit punt een overeenkomst hebben gesloten. Dat deze overeenkomst kennelijk niet op schrift is gesteld, doet hieraan niet af.”
Aanbestedingsstukken
“Voor de beantwoording van de vraag of deze stand-by-diensten onder de raamovereenkomst vallen, is van belang wat in de aanbestedingsstukken (waaronder de NvI’s) is opgenomen en verder wat HTM en ABR in de raamovereenkomst zijn overeengekomen. In dat verband is allereerst van belang dat HTM, als contractspartij van ABR in deze procedure geen partij is, zodat zij haar lezing van de raamovereenkomst ter zitting niet uit de doeken heeft kunnen doen. Haar uitleg van de raamovereenkomst valt in ieder geval deels wel af te leiden uit de in deze procedure overgelegde correspondentie van HTM.”
Nota van Inlichtingen
“De voorzieningenrechter oordeelt dat CRS er met juistheid op heeft gewezen dat HTM in de NvI uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat stand-by-diensten geen onderdeel zijn van de scope van de aanbesteding (antwoord op vraag 5 NvI). Dat betekent dat stand-by-diensten niet op één lijn zijn te stellen met diensten ter uitvoering van ad hoc-aanvragen door HTM. Voor die aanvragen heeft HTM verduidelijkt dat de opdrachtnemer 24/7 bereikbaar moet zijn om deze binnen twee uur in te vullen. De voorzieningenrechter begrijpt dit aldus dat het invullen van deze aanvragen iets anders is dan het daadwerkelijk direct ter beschikking stellen van dienstverleners. Het binnen twee uur invullen van aanvragen kan ook betrekking hebben op werkzaamheden die verderop in de tijd, bijvoorbeeld enkele dagen of weken later, verricht moeten worden. Voor stand-by-diensten geldt dat deze direct vervuld moeten worden, door binnen 45 minuten personeel op locatie te leveren en waarvoor HTM kennelijk maandelijks een bedrag betaalt, ook indien HTM geen stand-by-diensten afneemt. In zoverre stelt ABR adhoc-diensten en stand-by-diensten ten onrechte op één lijn.”
Nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond is om in deze procedure aan te nemen dat CRS buiten ABR om werkzaamheden voor HTM verricht die onder de raamovereenkomst tussen ABR en HTM vallen, is er geen aanleiding om CRS te verplichten een groot deel van haar (commerciële) administratie aan ABR te verstrekken.
VdLC publishers/consultants BV, 13 augustus 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl