Accountantsverklaring met oordeelonthouding niet voldoende (week 25)
Accountantsverklaring | financiële draagkracht
Bij een aanbesteding ‘inhuur communicatiecapaciteit’ heeft de Staat aan Babbage meegedeeld dat haar inschrijving voor perceel 1 en 2 de beste prijs-kwaliteitverhouding heeft en op de eerste plaats is geëindigd. Op 17 februari 2026 heeft de Staat aan Babbage meegedeeld dat de door Babbage overgelegde accountantsverklaring met oordeelonthouding niet kwalificeert als een accountantsverklaring met goedkeurende strekking, zoals is voorgeschreven in de gestelde geschiktheidseis. De Staat heeft volgens de rechter voldoende onderbouwd dat de door Babbage ingediende accountantsverklaring niet geschikt is om haar financiële en economische draagkracht aan te tonen. De accountant beschikte immers over onvoldoende controle-informatie met betrekking tot de volledigheid van de omzet van Babbage, zodat het financiële resultaat en daarmee de continuïteit van Babbage niet in voldoende mate zeker zijn. De vorderingen van Babbage worden afgewezen. (ECLI:NL:RBDHA:2026:15683, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 3 juni 2026, Datum publicatie 19 juni 2026)
Feiten en omstandigheden
Op 1 oktober 2025 heeft de Staat (het Agentschap Dienst Publiek en Communicatie (DPC))een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht “Inhuur communicatiecapaciteit 2026”. Op 22 december 2026 heeft Babbage voor de drie percelen van de opdracht een inschrijving ingediend. Op 6 februari 2026 heeft de Staat voor wat betreft Perceel 1 en Perceel 2 van de opdracht aan Babbage meegedeeld dat haar inschrijving de beste prijs-kwaliteitverhouding heeft en op de eerste plaats is geëindigd, zodat de Staat voornemens is de raamovereenkomsten aan Babbage te gunnen. Babbage heeft op 12 februari 2026 onder meer een kopie van de accountantsverklaring met betrekking tot de controle van de jaarrekening over 2024 aan de Staat toegestuurd. Op 17 februari 2026 heeft de Staat aan Babbage meegedeeld dat de door Babbage overgelegde accountantsverklaring met oordeelonthouding niet kwalificeert als een accountantsverklaring met goedkeurende strekking, zoals is voorgeschreven in de gestelde geschiktheidseis. De Staat heeft daarbij vermeld voornemens te zijn om de inschrijvingen van Babbage voor Perceel 1 en Perceel 2 ongeldig te verklaren. Babbage vordert de Staat te verbieden de opdrachten op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen. Het oordeel van de rechter:
Oordeelonthouding
“Vast staat dat Babbage een accountantsverklaring met oordeelonthouding heeft aangeleverd als bedoeld in artikel 2:393 lid 6 sub d BW. Nu in artikel 2:393 BW is bepaald dat een accountantsverklaring slechts vier vormen kent, kan de door Babbage ingediende accountantsverklaring alleen al daarom niet gelijk worden gesteld met de in artikel 2:393 lid 6 sub a genoemde goedkeurende verklaring. Deze vier verklaringen sluiten elkaar immers uit. Bovendien heeft de Staat terecht uiteengezet dat de accountant door een verklaring met oordeelonthouding af te geven, heeft uitgesproken dat het onmogelijk was om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen, terwijl die informatie van materieel belang en van diepgaande invloed was, zodat daarmee de betrouwbaarheid van de jaarrekening als geheel wordt aangetast.”
Alternatief bewijs
“Babbage heeft gesteld dat de Staat de kopie van de accountantsverklaring en de daarop door de accountant gegeven toelichting als alternatief bewijs had moeten accepteren. Volgens Babbage blijkt uit die toelichting dat de oordeelonthouding geen verband houdt met de continuïteit van Babbage en heeft de accountant de goedkeurende strekking van de verklaring in de toelichting beklemtoond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit betoog niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat de accountant in de gegeven toelichting (slechts) heeft vermeld dat geen sprake is van een afkeurende controleverklaring, geldt het bepaalde in artikel 2.91 lid 3 Aw 2012, waarop Babbage zich in dit verband beroept, alleen als de inschrijver om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende dienst gevraagde bewijsstukken over te leggen. Beide partijen hebben op dit punt verwezen naar uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland en van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland- West-Brabant. Anders dan in die uitspraken is in de onderhavige kortgedingprocedure niet aannemelijk geworden dat het voor Babbage in objectieve zin onmogelijk was om een accountantsverklaring met goedkeurende strekking te verkrijgen. Van een gegronde reden is dan ook geen sprake. Daar komt nog bij dat de Staat voldoende heeft onderbouwd dat de door Babbage ingediende accountantsverklaring met oordeelonthouding niet geschikt is om haar financiële en economische draagkracht aan te tonen. De accountant beschikte immers over onvoldoende controle-informatie met betrekking tot de volledigheid van de omzet van Babbage, zodat het financiële resultaat en daarmee de continuïteit van Babbage niet in voldoende mate zeker zijn.”
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Babbage worden afgewezen.
VdLC publishers/consultants BV, 24 juni 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl