Betekening dagvaarding niet binnen 20 kalenderdagen (week 6)
In beroep gaan | bezwaartermijn
Op 5 september 2025 heeft GRS (Gemeenschappelijke Regeling Sociaal) namens de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht een aanbestedingsprocedure voor de levering en het onderhoud van trapliften gepubliceerd. Smienk vordert GRS en de Gemeenten te verbieden de raamovereenkomst op basis van de gunningsbeslissing van 6 november 2025 te gunnen. De rechter concludeert dat, omdat Smienk niet binnen de vereiste termijn van 20 kalenderdagen door rechtsgeldige betekening van een dagvaarding aan GRS een kort geding jegens GRS aanhangig heeft gemaakt, ze niet kan worden ontvangen in de vorderingen die beogen de gunningsbeslissing aan te tasten. (ECLI:NL:RBROT:2026:918, Rechtbank Rotterdam, Datum uitspraak12 januari 2026, Datum publicatie 5 februari 2026)
Feiten en omstandigheden
Op 5 september 2025 heeft GRS (Gemeenschappelijke Regeling Sociaal) namens de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht een aanbestedingsprocedure voor de levering en het onderhoud van trapliften ten behoeve van Wmo-cliënten aangekondigd via TenderNed. De aanbesteding ziet op een raamovereenkomst voor de initiële periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027 met tweemaal een eenzijdige verlengingsoptie van één jaar. Smienk en Otolift hebben ingeschreven op de aanbesteding. Op 6 november 2025 heeft GRS via TenderNed aan Smienk kenbaar gemaakt dat zij niet voornemens is de aanbesteding aan Smienk te gunnen, maar aan Otolift. Op 14 november 2025 heeft Smienk aan GRS meegedeeld dat zij betwist dat Otolift aan de technische eisen uit het Programma van Eisen (PvE) kan voldoen. Op 18 november 2025 heeft GRS geantwoord dat zij heeft geverifieerd dat de winnende partij aan de eis kan voldoen en dat een opschorting van de bezwaartermijn niet aan de orde is. Smienk vordert GRS en de Gemeenten te verbieden de raamovereenkomst op basis van de gunningsbeslissing van 6 november 2025 te gunnen. Het oordeel van de rechter:
Bezwaartermijn
“De bezwaartermijn van 20 kalenderdagen die is opgenomen in paragraaf 2.1 van de Aanbestedingsleidraad is een contractuele vervaltermijn. Die termijn houdt in dat een inschrijver die het niet eens is met de gunningsbeslissing binnen de vervaltermijn daarover een procedure start bij de civiele rechter in Rotterdam, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Uit de definitie van de term ‘bezwaartermijn’ in de Deelnamevoorwaarden volgt dat de inschrijver bezwaar maakt door betekening van een dagvaarding aan de opdrachtgever (zie 2.3.).”
GRS is zelfstandige entiteit
“GRS is de aanbestedende dienst en opdrachtgever met wie de winnende inschrijver de raamovereenkomst voor de levering en onderhoud van trapliften ten behoeve van Wmo-cliënten aan zal gaan. Dat volgt duidelijk uit de aankondiging van de aanbesteding op TenderNed en uit de Aanbestedingsleidraad. De stelling van Smienk dat zij ook de Gemeenten mocht dagvaarden omdat de Gemeenten eindverantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo en zich daartoe hebben verenigd in GRS, is niet juist. GRS en de Gemeenten hebben gemotiveerd en onweersproken toegelicht dat de Gemeenten de bevoegdheden voor de uitvoering van de Wmo hebben gedelegeerd aan GRS, een zelfstandige entiteit met rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat GRS de gedelegeerde bevoegdheden uitoefent onder eigen verantwoordelijkheid en dat de Gemeenten die bevoegdheden niet meer zelf kunnen uitoefenen (artikel 10:13 en 10:17 Awb). Dat betekent dat Smienk met de oproeping van de Gemeenten de verkeerde partijen heeft gedagvaard. Zij heeft geen belang bij een toewijzende vordering jegens de Gemeenten. Dat leidt op grond van artikel 3:303 BW tot niet-ontvankelijkheid van Smienk bij vorderingen 1. t/m 4. tegen de Gemeenten.”
Niet ontvankelijk
“Ten aanzien van GRS is Smienk ook niet-ontvankelijk. GRS is pas bij exploot van 18 december 2025 opgeroepen om in dit geding te verschijnen. Dat is ruim na het verstrijken van de overeengekomen vervaltermijn waarbinnen Smienk kon opkomen tegen de voorgenomen gunningsbeslissing, en dus te laat. Dat Smienk GRS op grond van artikel 118 Rv in rechte heeft betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Dat verandert niet de van doorslaggevende omstandigheid dat GRS pas na de vervaltermijn is gedagvaard. Voor zover Smienk meent dat de datum van de dagvaarding van de Gemeenten (waarmee dit kort geding is ingeleid) bepalend is, wordt die redenering niet gevolgd. Dat volgt niet uit de bewoordingen en de strekking van de Aanbestedingsleidraad. Bovendien is hier geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. De Gemeenten zijn immers geen partij bij de aanbestedingsprocedure en ook niet in de uitvoering van de gunningsbeslissing (zie 5.8.). Smienk kan met een oproeping op de voet van artikel 118 Rv niet herstellen dat zij in eerste instantie de verkeerde partijen heeft gedagvaard.”
Nu Smienk niet binnen de vereiste termijn van 20 kalenderdagen door rechtsgeldige betekening van een dagvaarding aan GRS een kort geding jegens GRS aanhangig heeft gemaakt, kan Smienk niet worden ontvangen in de vorderingen die beogen de gunningsbeslissing aan te tasten.
VdLC publishers/consultants BV, 11 februari 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl