Contact met studenten leidt niet tot uitsluiting (week 18)
Zittende leverancier | absolute beoordelingsmethodiek | implementatieplan
[appellant] heeft als gevolg van een in juni 2023 gehouden Europese openbare aanbestedingsprocedure met vier bedrijven een raamovereenkomst multifunctionals gesloten. Hierbij is bepaald dat de daadwerkelijke levering van de diensten wordt gegund op basis van een minicompetitie. Het hof is van oordeel dat een geconstateerde onregelmatigheid (contact met studenten) niet dermate ernstig is dat [geïntimeerde 2] op grond daarvan moet worden uitgesloten. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] gedeeltelijk slaagt, maar in essentie niet tot een ander dictum leidt, zodat vernietiging achterwege kan blijven. Het door de voorzieningenrechter geformuleerde herbeoordelingsgebod zal met een kleine aanpassing opnieuw worden toegewezen. (ECLI:NL:GHAMS:2026:1170, Gerechtshof Amsterdam, Datum uitspraak 28 april 2026, Datum publicatie 1 mei 2026)
Feiten en omstandigheden
[appellant] biedt print-, kopieer-, en scandiensten aan haar medewerkers en tegen betaling aan haar studenten aan. [geïntimeerde 1] voert deze diensten met betrekking tot zogenoemde multifunctionals voor [appellant] uit sinds juli 2012. De daarop betrekking hebbende overeenkomst liep af op 31 oktober 2025. [appellant] heeft als gevolg van een in juni 2023 gehouden Europese openbare aanbestedingsprocedure met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en twee andere bedrijven een raamovereenkomst multifunctionals gesloten. Hierbij is bepaald dat de daadwerkelijke levering van de diensten wordt gegund op basis van een minicompetitie. Met de partij die de minicompetitie wint wordt vervolgens een nadere overeenkomst gesloten. [appellant] heeft op 31 maart 2025 aangekondigd op 7 april 2025 een minicompetitie te zullen publiceren voor het leveren van de in de [bedrijf] genoemde diensten. Bij die minicompetitie heeft [appellant] aan [geïntimeerde 2] ten onrechte een extra score toegekend voor de overgang van het betaalsysteem. De voorzieningenrechter heeft [appellant] met inachtneming van dit oordeel geboden de inschrijvingen van de drie deelnemers aan de minicompetitie opnieuw te beoordelen [appellant] heeft tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld. Zij heeft daarbij vijf grieven geformuleerd. Het hof zegt o.a.:
Zittende leverancier
“Vaststaat dat [geïntimeerde 1] in het door haar ingediende implementatieplan geen aandacht heeft besteed aan de overgang van het betaalsysteem omdat zij de zittende leverancier was en nog is. [geïntimeerde 2] heeft dat wel gedaan en onder andere op die grond heeft zij van de beoordelingscommissie een goed gekregen. [geïntimeerde 1] kreeg voor de integrale beoordeling van haar implementatieplan een voldoende. Die beoordeling en die scores vallen binnen de beoordelingsvrijheid die de beoordelingscommissie van [appellant] had. Het is begrijpelijk dat de omstandigheid dat aan die overgang aandacht is besteed doorwerkt in de score. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] daarmee niet in strijd gehandeld met de in de offerteaanvraag omschreven beoordelingssystematiek. De tegen dit oordeel gerichte grieven 2, 3 en 4 van [appellant] slagen dan ook. Het vonnis dient dus in beginsel te worden vernietigd, zodat de voorwaarde van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is vervuld.”
Absolute beoordelingsmethodiek
“De door [appellant] toegepaste beoordelingsmethodiek is absoluut. Dit betekent dat iedere aanvraag door de beoordelingscommissie op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Dit blijkt ook uit het beoordelingskader zoals beschreven in paragraaf 4.2 van de offerteaanvraag. Dat is een toegelaten en voor de inschrijver kenbare methodiek. De klacht van [geïntimeerde 1] in grief 3 dat [appellant] de inschrijvingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] naast elkaar had moet leggen, is daarmee ongegrond. Er is dan ook geen reden om [appellant] te gelasten de inschrijving van [geïntimeerde 2] te overleggen. De daarop gerichte vordering van [geïntimeerde 1] wijst het hof af. [geïntimeerde 1] heeft bij haar grief voor het overige onvoldoende beargumenteerd waarom de beoordeling van GMC 2.2 op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.”
Contact met studenten
“Dat [geïntimeerde 2] vooraf contact heeft gehad met studenten en dat zij daardoor een hoge beoordeling heeft verkregen, is naar het voorlopig oordeel van het hof wèl in strijd met artikel 2.87 lid 1 sub i Aw alsook met het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen van de inschrijvers. Het hof volgt [appellant] en [geïntimeerde 2] niet in hun stelling dat artikel 2.87 lid 1 sub i Aw alleen van toepassing is op de selectiefase van de [bedrijf] en niet op de daarop gebaseerde minicompetities. De minicompetenties kunnen naar het oordeel van het hof niet los worden gezien van alle aanbestedingsstukken, waaronder de [bedrijf] en het daaraan voorafgaande beschrijvende document dat bepaalt dat gedurende de aanbestedingsprocedure het alleen is toegestaan contact op te nemen met de in het document genoemde contactpersonen.”
Niet dermate ernstig
“Het hof is echter van oordeel dat de geconstateerde onregelmatigheid niet dermate ernstig is dat [geïntimeerde 2] op grond daarvan moet worden uitgesloten. Het proportionaliteitsbeginsel staat daaraan in de weg. Uit de considerans en bepalingen van richtlijn 2014/24 volgt dat kleine onregelmatigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer leiden. Van een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid is geen sprake. Het voordeel dat [geïntimeerde 2] volgens [appellant] heeft genoten van een bezoek aan de studenten van de campus, kan en moet worden weggenomen door een integrale herbeoordeling van alle inschrijvingen door een onafhankelijke beoordelingscommissie of beoordelaars, met inachtneming van het voorgaande.”
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] gedeeltelijk slaagt, maar als gevolg van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] in essentie niet tot een ander dictum leidt, zodat vernietiging achterwege kan blijven. Het door de voorzieningenrechter onder 7.1. geformuleerde herbeoordelingsgebod zal met een kleine aanpassing opnieuw worden toegewezen.
VdLC publishers/consultants BV, 6 mei 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl