Ernstige fouten onderaannemer niet nader onderbouwd (week 6)
Uitsluitingsgronden | VOG | UEA
De Politie heeft in 2025 een Europese openbare aanbestedingsprocedure ‘Vervoer Stoffelijke Overschotten’ georganiseerd. [eiseres] vordert dat de rechter de Politie gebiedt de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken. De rechter zegt dat het op de weg van [eiseres] lag om haar stelling dat sprake is van (ernstige) fouten van de onderaannemer nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. De rechter concludeert dat er geen aanleiding bestond voor de Politie om [tussenkomende partij] uit te sluiten van deelneming aan de onderhavige aanbesteding. (ECLI:NL:RBDHA:2025:27114, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 5 december 2025, Datum publicatie 2 februari 2026)
Feiten en omstandigheden
De Politie heeft in 2025 een Europese openbare aanbestedingsprocedure ‘Vervoer Stoffelijke Overschotten’ georganiseerd. [eiseres] heeft ingeschreven op Perceel 6 (Noord- en Oost Gelderland), Perceel 7 (Gelderland Midden) en Perceel 8 (Gelderland Zuid). [tussenkomende partij] heeft ingeschreven op Perceel 5 (Twente) en op de Percelen 6 en 7. Bij voorlopige gunningsbeslissingen van 10 september 2025 heeft de Politie aan [eiseres] bericht dat haar inschrijvingen op een tweede plaats zijn geëindigd en dat zij voornemens is de opdracht voor wat betreft de Percelen 6, 7 en 8 te gunnen aan [tussenkomende partij] . Op 6 oktober 2025 heeft de Politie een herziene voorlopige gunningsbeslissing ten aanzien van Perceel 8 genomen. Hierin valt te lezen dat in de eerdere voorlopige gunningsbeslissing niet de juiste winnaar is vermeld en dat de Politie voornemens is om Perceel 8 te gunnen aan [bedrijfsnaam 3] B.V. (in plaats van [tussenkomende partij]). [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter de Politie gebiedt de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken. Het oordeel van de rechter:
Onderaannemer
“Tussen partijen is niet in geschil dat [tussenkomende partij] een onderaannemer inzet van wie geen UEA is ingediend. Die onderaannemer (een vennootschap) bestond nog niet ten tijde van de vorige aanbestedingsprocedure en de Politie heeft terecht naar voren gebracht dat een opdrachtnemer andere (nieuwe) onderaannemers mag inschakelen als de Politie daarvoor toestemming geeft en die onderaannemers ook aan de eisen voldoen. Volgens de Politie is dat het geval bij de door [tussenkomende partij] ingeschakelde onderaannemer. De Politie heeft toegelicht dat – anders dan in de aanbestedingsstukken voorgeschreven – geen schriftelijke toestemming is gegeven, maar dat dit geen grond voor uitsluiting oplevert omdat wel aan de eisen voor het verlenen van toestemming was voldaan. [eiseres] is het daarmee niet eens en zij wijst erop dat er geen stukken zijn ingediend waaruit blijkt dat de onderaannemer aan de eisen voldoet, zoals ten aanzien van VOG’s en geheimhoudingsverklaringen. De voorzieningenrechter is met de Politie van oordeel dat het transparantiebeginsel niet tot het overleggen van dergelijke stukken verplicht. Een aanbestedende dienst is niet gehouden om een mede-inschrijver in staat te stellen om de aangelegde toets of uitsluitingsgronden op een inschrijver van toepassing zijn nog eens eigenhandig over te doen. Daarbij is van belang dat het gaat om vertrouwelijke stukken én [eiseres] niet heeft doen blijken van concrete aanwijzingen dat de medewerkers van de desbetreffende onderaannemer niet voldeden aan de vereisten.”
VOG’s
“In dat verband tekent de voorzieningenrechter meer specifiek ten aanzien van de VOG’s nog aan dat de Politie er – onvoldoende weersproken – op heeft gewezen dat de chauffeurs van de onderaannemer bij steekproeven steeds beschikten over een recente VOG. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) naar voren gebracht dat een chauffeur van de onderaannemer desgevraagd heeft gezegd dat hij tijdens een rit voor de Politie niet beschikte over een recente VOG. Die enkele blote stelling, die bovendien door de Politie en [tussenkomende partij] is betwist, is volstrekt onvoldoende om een fout te kunnen aannemen. Daarbij komt dat ook als die stelling van [eiseres] wel juist is, én het ontbreken van een recent VOG tijdens dat vervoer zou moeten worden aangemerkt als een ernstige beroepsfout, dat niet zonder meer leidt tot de conclusie dat [tussenkomende partij] van deelname aan de aanbesteding voor de te gunnen opdracht moe(s)t worden uitgesloten. Uitsluiting is immers niet aan de orde als passende (self-cleaning) maatregelen kunnen worden getroffen waardoor dergelijke fouten in de toekomst kunnen worden voorkomen en/of als uitsluiting niet een evenredige sanctie is. De Politie heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluiting hier niet evenredig zou zijn en dit standpunt is door [eiseres] onvoldoende weerlegd. Een en ander geldt ook voor de door [eiseres] beschreven incidenten waarbij een stoffelijk overschot niet haar het juiste mortuarium zou zijn gebracht. De Politie heeft toegelicht dat zij onderzoek heeft gedaan naar deze door [eiseres] gestelde incidenten en dat in dat kader niet is gebleken dat [tussenkomende partij] (ernstige) fouten heeft gemaakt. Ook hier geldt dat het op de weg van [eiseres] lag om haar stelling dat niettemin sprake is van (ernstige) fouten van de onderaannemer nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.”
Geen aanleiding om partij uit te sluiten
“De omstandigheid dat blijkens het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat [tussenkomende partij] in het kader van de huidige vervoersopdracht een ernstige beroepsfout heeft begaan, leidt ertoe dat evenmin kan worden aangenomen dat [tussenkomende partij] met haar in het kader van de onderhavige aanbesteding ingediende UEA, waarin zij heeft verklaard dat geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn, een valse verklaring als bedoeld in artikel 2.87, lid 1 sub h, Aw 2012 heeft afgelegd. De slotsom is dan ook dat er geen aanleiding bestond voor de Politie om [tussenkomende partij] uit te sluiten van deelneming aan de onderhavige aanbesteding. Dat betekent dat de primaire vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Voor een heraanbesteding bestaat evenmin aanleiding. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd waarom daartoe zou moeten worden overgegaan.”
VdLC publishers/consultants BV, 11 februari 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl