Geen evident onjuiste beoordeling van de kwaliteitscriteria (week 11)
Beoordeling van de kwaliteit
In maart 2025 heeft de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf) de aankondiging gedaan voor de Europese aanbestedingsprocedure voor de opdracht ‘Raamovereenkomst voor ontwerp & realisatie van gestandaardiseerde legeringsgebouwen voor Defensie’. [eiseres] vordert, de Staat te gebieden om het gunningsvoornemen aan [tussenkomende partij] in te trekken. [eiseres] heeft volgens de rechter niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bestreden aandachtspunten berusten op een evident onjuiste beoordeling en dat zij daarom voor de Kwaliteitscriteria 1 tot en met 5 een hogere beoordeling had moeten krijgen, dan wel dat de beoordeling om een andere reden evident onjuist of ondeugdelijk is. De rechter concludeert dat er geen grond is voor de door [eiseres] gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en herbeoordeling van de inschrijvingen. (ECLI:NL:RBDHA:2026:4235, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 3 maart 2026, Datum publicatie 13 maart 2026)
Feiten en omstandigheden
In maart 2025 heeft de Staat (meer in het bijzonder het Rijksvastgoedbedrijf) de aankondiging gedaan voor de Europese aanbestedingsprocedure voor de opdracht ‘Raamovereenkomst voor ontwerp & realisatie van gestandaardiseerde legeringsgebouwen voor Defensie’.
Op 27 november 2025 heeft de Staat aan [eiseres] meegedeeld dat zij voornemens is de Opdracht te gunnen aan [tussenkomende partij] en dat [eiseres] als tweede is geëindigd. De onderbouwing van de gunningsbeslissing is opgenomen in een aparte bijlage met daarin een tabel met toelichting, die 9 pagina’s beslaat. Uit de scoretabel volgt dat [eiseres] heeft ingeschreven met een lagere inschrijfsom dan [tussenkomende partij], maar dat [tussenkomende partij] beter heeft gescoord op de kwalitatieve criteria. Naar aanleiding van de beoordeling heeft [eiseres] een evaluatiegesprek aangevraagd bij de Staat. Dat gesprek stond gepland op 11 december 2025, maar heeft geen doorgang gevonden. Daarnaast heeft [eiseres] op 12 december 2025 een klachtenbrief gestuurd aan het Klachtenmeldpunt Aanbesteden Rijksvastgoedbedrijf. [eiseres] vordert, de Staat te gebieden om het gunningsvoornemen aan [tussenkomende partij] in te trekken. Het oordeel van de rechter:
Geen grond voor intrekking gunningsbeslissing
“[eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bestreden aandachtspunten berusten op een evident onjuiste beoordeling en dat zij daarom – en nog daargelaten de andere onweersproken gelaten aandachtspunten – voor de Kwaliteitscriteria 1 tot en met 5 een hogere beoordeling had moeten krijgen dan zij heeft gekregen, dan wel dat de beoordeling om een andere reden evident onjuist of ondeugdelijk is. Er bestaat dan ook geen grond voor de door [eiseres] gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en herbeoordeling van de inschrijvingen.”
Voldoende gemotiveerd
“Op grond van artikel 2.130 Aw 2012 dient de gunningsbeslissing de relevante redenen voor die beslissing te bevatten. Deze beslissing dient zodanig te worden gemotiveerd dat inschrijvers de wijze van beoordeling kunnen toetsen en kunnen controleren of de beoordeling de gunningsbeslissing rechtvaardigt en zij zich erop kunnen beraden of juridische stappen tegen de gunningsbeslissing zinvol zijn. Onder de relevante redenen die de aanbestedende dienst moet verstrekken wordt in ieder geval verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat de gunningsbeslissing in lijn met artikel 2.130 Aw 2012 voldoende gemotiveerd. Uit de gunningsbeslissing en de toelichting daarop blijkt hoe [eiseres] ten opzichte van de winnende inschrijving heeft gescoord, welke kritiekpunten maken dat zij niet beter heeft gescoord dan zij heeft gedaan en een beschrijving van de relatieve voordelen van de winnende inschrijving. Dit zou voor [eiseres] voldoende moeten zijn om de beoordeling te controleren en zich te beraden op eventuele juridische stappen. Anders dan [eiseres] in haar akte van vermeerdering gronden heeft betoogd, gaat de motiveringsplicht niet zover dat de aanbestedende dienst in alle gevallen ook een toelichting moet geven op de daadwerkelijke kenmerken of voordelen van de winnende inschrijving. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. Zo heeft zij over de inschrijving van [tussenkomende partij] ook geen vragen gesteld.”
De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat en [tussenkomende partij]. De weigering van de Staat om na de gunningsbeslissing een evaluatiegesprek te voeren met [eiseres] geeft geen aanleiding om op dit punt anders te beslissen. Dit had anders kunnen zijn als het verweer van de Staat [eiseres] aanleiding had gegeven, om haar vorderingen in te trekken, maar dat was niet het geval.
VdLC publishers/consultants BV, 18 maart 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl