Middelen mogen niet doorgesluisd worden naar Russische economie (week 8)
Sancties | veiligheid
Bij een aanbesteding van cafetaria’s en snackbars bij Palazzo Pitti en de Boboli-tuinen met een waarde van circa 8,9 miljoen euro voerde Scudieri aan dat de sanctieregeling beoogt te voorkomen dat Russische oorlogsactiviteiten worden gefinancierd en daarom ziet op de uiteindelijk begunstigde (de aandeelhouder), en niet op de nationaliteit van de bestuurders. Het HvJ EU zegt hierover dat de autoriteiten, wanneer zij voornemens zijn een overheidsopdracht te gunnen aan een onderneming die niet in Rusland is gevestigd, maar wordt bestuurd door een bestuurder met de Russische nationaliteit, zich vooraf moet vergewissen dat een dergelijke gunning geen aannemelijk risico inhoudt dat de middelen die aan deze vennootschap zullen worden betaald zullen worden gesluisd naar de Russische economie. (Arrest van het hof (Vijfde kamer), 12 februari 2026 in zaak C‑313/24)
Feiten en omstandigheden
Na afloop van een aanbestedingsprocedure heeft het Ministero della Cultura – Galleria degli Uffizi op 25 november 2022 de exploitatie van cafetaria’s en snackbars bij Palazzo Pitti en de Boboli-tuinen voor tien jaar gegund aan Scudieri International, voor een bedrag van circa 8,9 miljoen euro (exclusief btw). Scudieri behaalde de hoogste score van vier inschrijvers; Opera Laboratori Fiorentini eindigde als tweede. Opera Laboratori Fiorentini vocht de gunning aan bij de Tribunale amministrativo regionale per la Toscana. Zij stelde dat de gunning in strijd was met artikel 5 duodecies van verordening nr. 833/2014, dat het gunnen van overheidsopdrachten aan bepaalde Russische entiteiten verbiedt. Volgens haar waren twee van de drie bestuurders van Scudieri International Russisch, waarbij één van hen tevens voorzitter en CEO was én enig bestuurder van Sielna SpA, de Italiaanse moedermaatschappij die 90% van de aandelen in Scudieri bezit. De bestuursrechter in eerste aanleg wees het beroep af. Hij oordeelde dat een ruime uitleg van het verbod te ver zou gaan, omdat Scudieri een Italiaanse vennootschap is, eigendom van een andere Italiaanse vennootschap waarvan de aandeelhouders geen Russische nationaliteit hebben. In hoger beroep bij de Consiglio di Stato stelde Opera dat Scudieri “op aanwijzing” van Russische onderdanen handelde, namelijk haar Russische bestuurders. Scudieri voerde daartegen aan dat de sanctieregeling beoogt te voorkomen dat Russische oorlogsactiviteiten worden gefinancierd, en daarom ziet op de uiteindelijk begunstigde (de aandeelhouder), niet op de nationaliteit van bestuurders. Ter ondersteuning verwees zij naar richtsnoeren van de Europese Commissie, waaruit blijkt dat de nationaliteit van een CEO niet doorslaggevend is. De Consiglio di Stato achtte de uitleg van artikel 5 duodecies onzeker, met name over de betekenis van “handelen op aanwijzing” en of dit ook ziet op aanwijzingen van Russische natuurlijke personen. Daarom schorste zij de procedure en legde een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de EU over de reikwijdte van het verbod in deze specifieke situatie.
Het HvJEU zegt het volgende:
Verschillende taalversies
“Wat betreft in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 5 duodecies, lid 1, onder c), van verordening nr. 833/2014, en meer bepaald de daarin opgenomen woorden „namens of op aanwijzing”, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de taalversies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling ook worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arresten van 25 maart 2010, Helmut Müller, C‑451/08, EU:C:2010:168, punt 38, en 15 april 2021, The North of England P & I Association, C‑786/19, EU:C:2021:276, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
‘Voor rekening van’
“Uit een vergelijking van de taalversies van deze bepaling blijkt ten eerste dat de uitdrukking „voor rekening van”, die met name in de Franse, de Italiaanse en de Maltese taalversie wordt gebruikt, wordt vervangen door de uitdrukking „au nom de” (namens) in verschillende andere taalversies, zoals de Deense, de Duitse, de Griekse, de Nederlandse, de Portugese en de Roemeense taalversie, en dat beide uitdrukkingen in de Spaanse taalversie van die bepaling als alternatieven voorkomen. Wat betreft ten tweede de uitdrukking „selon les instructions” (op aanwijzing) gebruiken sommige taalversies van die bepaling elk een soortgelijke uitdrukking, zoals de Deense, de Duitse, de Griekse, de Nederlandse, de Roemeense en de Zweedse versie, terwijl andere taalversies ervan, zoals de Spaanse, de Engelse, de Italiaanse, de Maltese en de Portugese versie een begrip gebruiken dat in het Frans eerder „sous la direction” (onder de leiding) betekent.”
Bestuursbevoegdheden
“Gelet op dit verschil tussen de taalversies van artikel 5 duodecies, lid 1, onder c), van verordening nr. 833/2014, kan uit de enkele bewoordingen van deze bepaling niet worden afgeleid dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is in een situatie waarin Russische onderdanen lid zijn van de raad van bestuur van de vennootschap waaraan een overheidsopdracht is gegund, omdat een bestuurder op grond van het toepasselijke nationale recht in de regel slechts beschikt over bestuursbevoegdheden over de betrokken vennootschap en niet over de bevoegdheid om die vennootschap te „leiden”.”
Conclusie
Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat artikel 5 duodecies, lid 1, onder c), van verordening nr. 833/2014 niet automatisch verhindert dat een overheidsopdracht wordt gegund aan een in een lidstaat gevestigde vennootschap waarvan bestuurders de Russische nationaliteit hebben. Het verbod is niet van toepassing wanneer na een volledig en concreet onderzoek blijkt dat er geen aannemelijk risico bestaat dat de betaalde middelen naar de Russische economie worden doorgesluisd. Doorslaggevend is dat niet vaststaat, of hoogst onwaarschijnlijk is, dat de Russische bestuurder daadwerkelijk zeggenschap uitoefent over de betrokken vennootschap.
Letterlijke tekst
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht: Artikel 5 duodecies, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/576 van de Raad van 8 april 2022, moet aldus worden uitgelegd dat het verbod om overheidsopdrachten te gunnen aan of voort te zetten met „een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam handelend namens of op aanwijzing” van een „entiteit” als bedoeld in artikel 5 duodecies, lid 1, onder a) of b), van deze verordening, zoals gewijzigd, niet van toepassing is wanneer een overheidsopdracht door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat wordt gegund aan een ingezeten vennootschap waarvan twee van de drie leden van de raad van bestuur Russische onderdanen zijn, waarbij een van beiden, die voorzitter en chief executive officer is, ook de enige bestuurder is van de moedervennootschap van de betrokken vennootschap, mits deze autoriteiten zich er in het kader van een volledig onderzoek van alle relevante concrete omstandigheden, dat zij moeten verrichten telkens wanneer zij voornemens zijn een overheidsopdracht te gunnen aan een onderneming die niet in Rusland is gevestigd, maar wordt bestuurd door een bestuurder met de Russische nationaliteit, vooraf van hebben vergewist dat een dergelijke gunning geen aannemelijk risico inhoudt dat de middelen die aan deze vennootschap zullen worden betaald in het kader van de betrokken opdracht, zullen worden gesluisd naar de Russische economie, aangezien niet vaststaat of het althans hoogst onwaarschijnlijk is dat deze bestuurder daadwerkelijk zeggenschap heeft over genoemde vennootschap.
VdLC publishers/consultants BV, 25 februari 2026
Lees de volledige uitspraak op eur-lex.europa.eu