Ontbreken UEA dochteronderneming mag niet leiden tot uitsluiting (week 4)
UEA | herstel kleine fout
Op 29 mei 2023 heeft LIPOR een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor een opdracht voor het vervoer en het storten, van 75 000 ton afval van een centrale voor energieterugwinning. Het Hof van Justitie EU zegt dat artikel 56, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een moedermaatschappij die een beroep wil doen op de draagkracht van een dochteronderneming waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft en waarvan een van de bestuurders tevens bestuurder van de moedermaatschappij is, niet van een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten op de enkele grond dat zij het UEA van deze dochteronderneming niet bij haar inschrijving heeft gevoegd. (ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer), 22 januari 2026 in zaak C‑812/24.)
Feiten en omstandigheden
Bij besluit van 29 mei 2023 heeft de raad van bestuur van LIPOR een internationaal bekendgemaakte openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de gunning van een opdracht voor diensten betreffende het vervoer en het storten, in een installatie voor ongevaarlijke afvalstoffen, van 75 000 ton afval van een centrale voor energieterugwinning. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat PreZero in haar inschrijving een prijs heeft voorgesteld van 4 800 000 EUR, terwijl het prijsvoorstel in de inschrijving van Semural 4 794 500 EUR bedroeg.
De verwijzende rechter benadrukt dat PreZero het volledige aandelenkapitaal van Valor RIB in handen heeft en dat de exploitatievergunning voor de stortplaats, de milieuvergunning en de exploitatievergunning van Valor RIB bij het dossier zijn gevoegd. Hij merkt eveneens op dat het Hof in het arrest van 10 november 2022, Taxi Horn Tours (C‑631/21, EU:C:2022:869, punt 60), heeft geoordeeld dat, indien een gemeenschappelijke onderneming meent voor de uitvoering van een overheidsopdracht een beroep te moeten doen op de eigen middelen van bepaalde vennoten, zij moet worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24 en niet alleen haar eigen UEA moet indienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen.
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of deze uitlegging kan worden toegepast op een situatie waarin een ondernemer voor de uitvoering van een opdracht gebruik wil maken van de uitrusting en de diensten van een andere vennootschap waarvan hij 100 % van het kapitaal in handen heeft, waarvan hij de enige vennoot is en waarvan een van de bestuurders ook zijn eigen bestuurder is. Het oordeel van het HvJEU:
Regularisatie
“In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 72, lid 3, onder a), gegadigden en inschrijvers uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om formele onregelmatigheden in hun aanvragen of inschrijvingen te regulariseren wanneer deze regularisatie de inhoud ervan zelf niet kan wijzigen en de beginselen van gelijke behandeling en mededinging niet schendt. (noot redactie ‘Regularisatie betekent het legaliseren, normaliseren of in orde brengen van een voorheen onregelmatige of niet-vergunde situatie’).
Bovendien noemt deze bepaling onder de onregelmatigheden die kunnen worden geregulariseerd, het niet of onjuist overleggen van documenten die uitsluitend tot doel hebben feiten of hoedanigheden vast te stellen die dateren van vóór de datum van indiening van de aanvraag of de inschrijving, met name het UEA. Aangezien daarmee het verzuim van een gegadigde of inschrijver om zijn eigen UEA over te leggen kan worden geregulariseerd, moet hetzelfde gelden wanneer het niet of onjuist overleggen van documenten betrekking heeft op de toezending van het UEA van een dochteronderneming op de draagkracht waarvan de gegadigde of inschrijver een beroep wil doen.”
Gelijke behandeling en transparantie
“Ten tweede zou de uitvoering van een dergelijke regularisatie in overeenstemming zijn met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie, aangezien, in de eerste plaats, de gegadigde of inschrijver in zijn aanvraag of inschrijving heeft aangegeven dat hij voornemens is een beroep te doen op de entiteit waarvan het UEA niet is toegezonden, en, in de tweede plaats, in de zin van artikel 72, lid 3, onder a), van het CCP feiten of hoedanigheden worden aangetoond die dateren van vóór de datum van indiening van de aanvraag of de inschrijving. Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 56, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een moedermaatschappij die een beroep wil doen op de draagkracht van een dochteronderneming waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft en waarvan een van de bestuurders tevens bestuurder van de moedermaatschappij is, niet van een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten op de enkele grond dat zij het UEA van deze dochteronderneming niet bij haar inschrijving heeft gevoegd, aangezien een dergelijk verzuim kan worden geregulariseerd voor zover geen enkele bepaling van nationaal recht daaraan in de weg staat en deze regularisatie wordt uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie.”
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht dat Artikel 56, lid 3, van richtlijn 2014/24 zo moet worden uitgelegd dat een moedermaatschappij die een beroep wil doen op de draagkracht van een dochteronderneming waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft en waarvan een van de bestuurders tevens bestuurder van de moedermaatschappij is, niet van een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten op de enkele grond dat zij het UEA van deze dochteronderneming niet bij haar inschrijving heeft gevoegd.
VdLC publishers/consultants BV, 28 januari 2026
Lees de volledige uitspraak op infocuria.curia.europa.eu